Mediadebat bedroevend voor dagbladpers

Hoewel de betaalde oplage van de Nederlandse dagbladen weer met 0,7 procent steeg - zo berichtte het Cebuco deze week - bleef het advertentievolume zorgwekkend laag. Een extra complicatie voor de schrijvende pers is het onsamenhangende mediabeleid van de rijksoverheid, waardoor economische accenten de nadruk krijgen en mediagiganten kunnen aansturen op monopolieposities. Verschraling en afvlakking van de dagbladpers dreigen.

Vorige week spraken de media-specialisten uit de Tweede Kamer met de bewindslieden d'Ancona (WVC) en Van Rooy (EZ) over het persbeleid. De uitkomst was voor de dagbladjournalistiek zonder meer bedroevend. Met uitzondering van Frits Niessen van de PvdA en Gerrit-Jan Wolffensperger van D66 blijkt men niet echt geïnteresseerd in een actievere rol van de overheid om de vitale betekenis van de dagbladjournalistiek zeker te stellen. Eerder weigerde minister d'Ancona - onder druk van premier Lubbers en de economische bewindslieden - een wettelijke persfusie-regeling, zoals toegezegd in het Regeerakkoord, uit te voeren. Ondanks zijn jarenlange inzet voor zo'n fusie-regeling trok CDA'er Maarten Beinema zich, na een indringend gesprek met zijn fractieleider Brinkman, tijdelijk terug als eerste woordvoerder. De steun van het CDA aan een wettelijke persfusie-regeling is daarmee definitief van de baan “tenzij over enkele jaren zou blijken dat het toch nodig was geweest”. De houding van het kabinet, CDA en VVD staat in schril contrast met het belang van de dagbladjournalistiek voor onze samenleving.

Het mediabeleid van de rijksoverheid vertoont al jaren een gebrek aan samenhang. In deze kabinetsperiode is daar nog een sterke opwaardering van de economische elementen bij gekomen. Dit beeld sluit aan bij de tendens in de mediabranche eigendom te concentreren en rendementsnormen aan te scherpen. Intussen brokkelt het aantal zelfstandige dagbladen dramatisch af. Meer dan voorheen moeten redacties voldoen aan de eisen van hoger rendement. Dit leidt tot politieke, levensbeschouwelijke en ideologische afvlakking en daarmee tot een verzwakking van de opiniërende en controlerende functies.

Een rondgang in binnen- en buitenland bevestigt de analyse dat verschraling van de dagbladpers in West-Europa als belangrijke onafhankelijke informatiebron niet of onvoldoende wordt gecompenseerd door de groei van het televisie-aanbod. Ook ontbreekt in heel wat landen een samenhangend mediabeleid. Daardoor kunnen enkele mediagiganten in bepaalde segmenten van pers en omroepmarkt aansturen op monopolieposities.

Topmensen uit de mediawereld maken er geen geheim van hoe zij de ordening van de Westeuropese mediamarkt zien. Zo liet topman Henri Roemer van het Luxemburgse CLT/RTL onlangs weten dat in plaats van de huidige tientallen mediabedrijven in West-Europa er over enkele jaren drie tot vier concerns over zijn die de sector van de particuliere communicatie zullen beheersen. Adformatie (40) citeerde Roemer: “Zij zullen een strategie van verticale en horizontale integratie op wereldniveau nastreven met belangen op het gebied van uitzending, produktie, publiciteit, pers en aanverwante activiteiten.”

Ook in ons land is de samenhang in het mediabeleid zoek. Wie er de voorlopige verkiezingsprogramma's van partijen op naslaat, moet constateren dat de dagbladsector wordt overgelaten aan de krachten van de commerciële markt. Veel dagbladondernemers zijn nu bezig de terugvallende inkomsten op de advertentie- en lezersmarkt te compenseren door de arbeidskosten terug te dringen. Maar anders dan in andere economische sectoren is de kwaliteit van het arbeidsvoorwaardenpakket in de journalistiek medebepalend voor de onafhankelijkheid en de opiniërende functie van dagbladen.

Intussen zullen van de zevenendertig zelfstandige dagbladtitels in ons land er medio 1994 nog maar tweeëndertig over zijn. Mogelijke opties voor verdere concentraties zijn samenwerking tussen deVNU en de NDU (36 procent van de markt), VNU-Wegener (34,06 procent van de markt, en met de PZC erbij eveneens 36 procent), NDU-Perscombinatie (32 procent), en Telegraaf-Wegener (43 procent). Het systeem van zelfregulering voor dagbladfusies - aangeboden door de uitgevers, ondertussen dankbaar omhelsd door mevrouw d'Ancona en straks wellicht aanvaard door de meerderheid van de Kamer - zal voor zulke 'economische opties' geen barrière vormen.

De kwaliteit van de journalistiek en de kwaliteit van onze democratie zijn van elkaar afhankelijk. Verzwakking van de één treft de ander evenzeer. Het dagblad is een onmisbaar scharnier tussen overheid en burger, en een kristallisatiepunt voor de meningsvorming. Daar mag de volksvertegenwoordiging niet aan voorbij gaan. Meer maatregelen zijn noodzakelijk en mogelijk, een persfusie-regeling is slechts één van de instrumenten om de dagbladjournalistiek haar essentiële functie te laten behouden.

De compensatieregeling voor Dagbladen moet worden gehandhaafd als instrument tegen verdere afkalving van het aantal onafhankelijke dagbladtitels. Verlieslijdende exploitatie van een dagblad is niet per definitie het gevolg van wanbeleid maar vaak een poging de verscheidenheid, identiteit of levensbeschouwelijke grondslag te handhaven. Het Bedrijfsfonds voor de Pers kan worden uitgebouwd om de start van nieuwe bladen te stimuleren en produktvernieuwing en -handhaving bij bestaande dagbladtitels te ondersteunen.

Verder kan de dagbladsector een economische adempauze worden gegund door het handhaven van de horizontale prijsafspraken, en door op de verkoop van dagbladen opnieuw het BTW nul-tarief in te voeren. Ook is het uit zorg voor een onafhankelijk dagbladstelsel zinvol het redactiestatuut - nu onderdeel van de journalisten-CAO - te voorzien van een wettelijke basis.

    • H.R. Verploeg