Griekenland stelt Den Haag gerust

DEN HAAG, 10 NOV. De Griekse minister voor Europese zaken Theodoros Pangalos heeft gisteren in Den Haag gezegd dat zijn regering het komende EG-voorzitterschap (tijdens het eerste half jaar van 1944) niet zal misbruiken om de buitenlandse politiek van de EG een nadrukkelijk Grieks stempel te geven.

Eerdere uitspraken van de socialistische premier Papandreou hadden bij andere EG-landen argwaan gewekt over Griekse bemoeienissen met de Joegoslavië-politiek van de EG. Athene heeft traditioneel een hartelijke verhouding met Servië. Pangalos, die de twaalf EG-landen bezoekt ter voorbereiding van het voorzitterschap, verzekerde minister Kooijmans en staatssecreatris Dankert van buitenlandse zaken gisteren echter dat zijn land voorstander blijft van het vasthouden aan één gezamenlijke koers.

De Griekse minister van buitenlandse zaken, Karolos Papoulias, beloofde deze week tijdens een bezoek aan Belgrado de kwestie van de sancties tegen Servië en Montenegro op de agenda van de EG te zullen houden. Minister Pangalos merkte na afloop van zijn onderhoud in Den Haag op: “Servië schond de internationale wetten door hulp te geven aan afscheidingsbewegingen in Kroatië en Bosnië-Herzegovina. Dat is door alle EG-landen erkend. Nu bestaat het gevoel dat voortzetting van de sancties gezien moet worden in relatie tot de pogingen die worden gedaan om te komen tot een vreedzame oplossing.”

Diplomatieke kringen in Den Haag wijzen erop dat Griekenland zich goed kan vinden in het jongste initiatief van Frankrijk en Duitsland, dat voorziet in opheffing van de sancties in ruil voor beperkte territoriale concessies van de door Belgrado gesteunde Bosnische Serviërs aan de moslims.

Voor twijfels over de Europese opstelling van Griekenland, dat er wel van beschuldigd is veel te nemen maar weinig te geven, zag Pangalos geen enkele aanleiding, aangezien alle regelingen op basis van onderlinge afspraken tot stand zijn gekomen. “We zijn geen Trojaans paard te midden van de overige Europese partners”, aldus de minister.

Een hoge functionaris op Buitenlandse Zaken verklaarde na afloop van het overleg “een redelijk rustig voorzitterschap” te verwachten, “rustiger dan we ons wel hadden voorgesteld, geen wilde acties.”