Game

Het is een oud spel, voor de vingeroefening, voor de bijscholing, voor het warm houden van de ambachtelijkheid. In vorige eeuwen maakte men gedichten op gegeven eindrijmen, de surrealisten deden aan allerlei soorten woordenboekspelletjes.

Men sluite zijn ogen, late het woordenboek openvallen en prikke erin. Men neme het eerste trefwoord (vet gedrukt) vóór de plek waar de nagel van de wijsvinger valt.

Men vervaardige een gedicht waarin die woorden voorkomen.

Mijn specifieke opdracht was: een rijmend gedicht van twaalf regels, het prikken van twaalf woorden, en in elke regel een van die woorden gebruiken, niet noodzakelijk in de (alfabetische) volgorde waarin ze werden gevonden.

Ik haalde ze uit de Van Dale, elfde uitgave, elk deel vier woorden.

De nagel viel op binnenweg, flessenspoeler, grut, huur, kniediep, lexicaal, omkeren, respijt, streekkledij, trekkoord, vertakking, zachtaardig.

Men blikke, opgezadeld met zo'n verbaal-exotische ratjetoe, een ogenblik vertwijfeld om zich heen.

Maar dan, om met Jan Cremer te spreken, niet lullen maar poetsen!

Woordenboekgedicht

door Van Dale en mij

'k Loop op een binnenweg, vlak naast een sloot.

Daar komt een boertje aan in streekkledij.

De weg heeft geen vertakking en loopt dood.

De kerel grijnst. Omkeren wil ik mij.

Geen kans. Hij ziet er niet zachtaardig uit.

Een duivels heer. Hij heeft iets in de zin.

'Ik ben de flessenspoeler!' kraakt hij luid -

En kniediep duwt hij mij het water in.

'Ik ben geen fles!' roep ik nog. Geen respijt.

Hij haalt een trekkoord uit de hemel neer

En, goeie grut, wég spoel ik, voor altijd.

Er rest een lexicaal gedicht, niets meer.