Fascistisch en ander gevaar

In de Volkskrant heeft zich de afgelopen weken een opmerkelijk debat ontwikkeld. Ontstaan om de vraag of Jacques de Kadt 'een flirt met het fascisme heeft gehad', heeft het zich verbreed waarbij het zwaartepunt is verschoven. Heeft het fascisme als politieke leer, inspiratiebron, ideologie in deze tijd nog een ernstige betekenis, ervan afgezien of het een puur gevaar of een halve zegen in vermomming zou zijn?

Dat Jacques de Kadt herleeft lijkt me een onverdeelde vooruitgang. Als hij geen politiek denker van wereldformaat is geweest, dan in ieder geval een verstandige en onvermoeibare Nederlandse essayist - in deze hoedanigheden voorbeeldig - die zich bovendien in zijn mémoires rekenschap heeft gegeven van alles wat in deze discussie wordt aangeroerd. Het hem nu gemaakte verwijt dat hij 'een flirt' met het fascisme zou hebben gehad, beschouw ik als baarlijke onzin. Zeker kunnen uit zijn grote essay Het fascisme en de nieuwe vrijheid een paar citaten worden gevist om die stelling te bewijzen (zoals dat ook zou kunnen bij Sebastian Haffner, uit zijn Anmerkungen zu Hitler), maar daartegenover staat een overweldigende hoeveelheid argumenten om haar te verpletteren. Na zijn communistentijd zal De Kadt in zijn radicalisme en zijn afkeer van de consensusstijl in het debat zich hier en daar hebben vergaloppeerd; maar het democratisch denken heeft meer aan hem gehad dan aan de talrijken die uit louter bezadigdheid geen pen op papier zetten. De discussie over 'de flirt' beschouw ik als kabaal in de academische speeltuin.

Het gaat om de andere vraag: heeft het fascisme nu, in de jaren van overgang na de Koude Oorlog nog - of weer - een ernstige betekenis, zoals dat in de overgangstijd na de Eerste Wereldoorlog het geval was? In de discussie daarover zijn de denkbeelden van De Kadt nog steeds van belang. Hij was een elitaire democraat die ervan overuigd was dat in de moderne democratie het volk, de massa der kiezers de trekkracht, de energie en de inspiratie, kortom de leiding van een intellectuele elite nodig heeft. De perversie van zo'n elite heeft hij korte tijd bij het fascisme gemeend te herkennen, maar daar is hij snel van teruggekomen. Hij zag dat het nog erger was dan hij had gedacht.

De wereld van De Kadt is de onze niet. Toen hij schreef waren het fascisme, nazisme en communisme de doodsvijanden. Ze zijn verslagen. Daarna leek de wereld te zijn gezuiverd van totalitaire ideologieën, waarvan 'het einde' in de politicologie herhaaldelijk is afgekondigd. Maar vier jaar later zijn de voormalige blokken uit de Koude Oorlog ten prooi aan een wanorde die aan het begin van deze eeuw doet denken. In een opportunistisch verweer daartegen en op zoek naar snelle winst kiezen sommige politici een aan het fascisme verwante weg waarbij ze zich er overigens voor hoeden, de besmette term te gebruiken: Schönhuber en Le Pen, en het jongmaatje Karadzic die in leugenachtigheid en hardheid zijn voorbeelden al heeft ingehaald. Maar is dit fascisme de reprise van het oude fascistische gevaar?

Fascisme dat een gevaar is in de traditionele zin, vooronderstelt een georganiseerde macht, bestaande uit een samenhangend maatschappijbeeld, een georganiseerde partij en duidelijke denkbeelden over strategie en tactiek. Dat alles ontbreekt bij de fascisten van na de Koude Oorlog. Ze zijn incidentele relschoppers en stembusprofiteurs die stiekem hun winst opstrijken uit de racistische incidenten en die verder baat zouden kunnen hebben bij de grote 'maatschappelijke onvrede' als ze wisten hoe ze dat probleem moesten aanpakken.

Dit opportunistisch fascisme is een heel ander gevaar dan het hecht georganiseerde van het interbellum. Dit is geen oprukkend leger maar een ultra-rechtse guerrillaclub van agressieve kwakzalvers waarop het woord beweging nog niet past. Door deze nauwelijks geplande guerrilla sticht het zijn wanorde en twijfel in een democratie die er geen antwoord op weet. Dàt is de kern van het vraagstuk: niet het opportunistisch fascisme maakt ons ongerust maar het gebrek aan antwoord van de democratische samenleving op de vraagstukken waarvan dit fascisme profiteert. Dit is ook het ogenblik waarop De Kadt zijn actualiteit herwint.

Na de Koude Oorlog is de gemeenschappelijke elite der democratische partijen ineengezegen. Het is niet zo dat men aan de toppen van de westerse politiek het bijltje erbij neer heeft gegooid, maar wel heeft men daar verzuimd datgene te doen wat de plicht van iedere overwinnaar is: een inventarisatie maken van de problemen die volgen op de zegepraal en een lijst van de eisen die aan de kiezers moeten worden gesteld opdat een en ander kan worden opgelost. Dat om te beginnen. Het 'herlevend fascisme' is niet meer dan een opportunistisch fascisme; maar tegelijkertijd is het een symptoom van een veel groter complex: dat van de democratisch gewilde nonchalance. De politiek verantwoordelijken van de westelijke democratieën hebben zich laten verrassen door de stroom van vluchtelingen, zoals ze zich hebben laten verrassen door de ernst van de oorzaken, en daarna niet de moed hebben gehad om die aan te pakken. Ze hebben geen overtuigend antwoord gegeven op de erosie van de verzorgingsstaat en niet gezien of niet willen zien hoe overal in het Westen zich in plaats van de democratie der fundamentele gelijkheid gestaag een kastemaatschappij ontwikkelt. Ze beseffen niet dat een verdeling in kasten van uitzichtlozen en relatief bevoorrechten in deze consumptiecultuur de werkelijke tijdbom is die de hele democratische samenleving op langere termijn bedreigt.

De politiek van het Westen in zijn geheel is een complex van kleine compromissen op korte termijn, geïnspireerd door de hoop dat de grote vraagstukken op lange termijn vanzelf zullen verdwijnen. Wat ontbreekt is de democratische elite die met klem van argumenten duidelijk maakt dat dit niet zal gebeuren, dat de geschiedenis niet comfortabel is, en dat we niet aan het einde van dit of dat staan maar, als we nu niet oppassen, aan het begin van de katastrofe der desintegratie.

'Kan een fascist een echte intellectueel zijn?' is de kop boven de jongste bijdrage in de Volkskrant-discussie. Dat is een vraag van zestig jaar geleden. 'Heeft de democratie echte intellectuelen nodig?' lijkt me meer van deze tijd. Ja, met mensen van het type De Kadt zouden we niet slecht af zijn.