d'Ancona: kreten zijn onvoldoende; Kunstwereld dient beleid en subsidies te rechtvaardigen

DEN HAAG, 10 nov. Minister d'Ancona (WVC) vindt dat de kunstwereld zelf met heldere en inspirerende denkbeelden moet komen over de rechtvaardiging van een overheidsbeleid voor kunst en kunstsubsidies.

Die gedachten dienen meer te zijn dan de kreet 'kunst moet' of een pleidooi voor meer geld: er moet ook rekening worden gehouden met het publiek. De minister zei dat gisteravond in Den Haag op een bijeenkomst van de Raad voor de Kunst, waar werd gediscussieerd over de rol van kunstrecensies bij de vaststellling van subsidies.

Minister d'Ancona zei dat haar richtlijn dat in het overleg tussen ministerie en kunstinstellingen recensies aan de orde kunnen komen, niet inhoudt dat die betrokken worden bij de besluitvorming over subsidies. Daarvoor blijft het oordeel van de Raad voor de Kunst bepalend. Theatercritici hadden zich eerder in een open brief aan het ministerie verzet tegen het gebruik van recensies door de overheid, omdat die zou leiden tot een oneigenlijke verantwoordelijkheid van de recensenten.

Volgens de minister wordt er niet getornd aan het door Thorbecke in de vorige eeuw geformuleerde beginsel dat de overheid zich onthoudt van een oordeel over kunst. Maar dat beginsel geeft wel spanningen omdat de overheid toch een legitimatie moet hebben voor de besteding van het kunstbudget. Op het micro-niveau - dat van individuele kunstprodukties - past de overheid volgens de minister geen enkel oordeel. Dat wordt overgelaten aan de deskundigen in de Raad voor de Kunst.

Maar waar het gaat om de inrichting van het kunstbeleid zijn er naast de artistieke ook beleidsmatige overwegingen, zoals geografische spreiding, taakverdeling tussen Rijk en lagere overheden en de verdeling van het budget tussen de disciplines.

Bij de rechtvaardiging van de cultuurpolitiek is er volgens de minister een probleem, waarbij de overheid heeft te maken met doelen, normen en waarden. De overheid vindt kunst als zodanig van grote betekenis, maar wil bij de argumentatie het liefst overnemen wat daarover in de kunstwereld zelf wordt gedacht. De kunstwereld heeft daarom zelf een duidelijke verwantwoordelijkheid voor het verschaffen van de rechtvaardiging van een actieve cultuurpolitiek.

Minister d'Ancona zei dat de relatieve vrijplaats die de overheid voor de kunsten schept, geen vrijbrief mag zijn zich niets meer van de wereld aan te trekken. Kunst als voorhoede moet zijn werking vervullen in de samenleving, maar dat kan alleen als het publiek niet de achterhoede wordt die het uitzicht op de voorlopers verliest en afhaakt.