Compilaties van amateurfilms wisselend van kwaliteit; Nazi-troepen in de stad

Private Hungary. Familieleven in Hongarije vanaf 1930. Regie: Péter Forgács. Amsterdam, Filmmuseum. Zo 14/11 voorstelling in aanwezigheid van Forgács, verder vanaf 18/11.

Het lijkt zo langzamerhand een apart genre te worden: films die bestaan uit fragmenten historisch materiaal, omgesmeed tot de eenheid die de film-maker (in dit geval kan dat woord letterlijk worden genomen) er in wil zien. Peter Delpeut, adjunct-directeur van het Nederlands Filmmuseum, lijkt zich er steeds meer op te specialiseren. Hij maakte al verschillende van zulke compilaties, te beginnen met Lyrisch Nitraat en onlangs ging zijn Maudite soit la guerre in première. Het Filmmuseum nodigde nu de Hongaar Péter Forgács, die in dezelfde lijn te werk gaat, uit om zijn (video-) films te presenteren.

Ook Forgács bouwt zijn films op uit andermans materiaal. Maar waar Delpeut dat zocht bij de nalatenschap van professionele filmers, liet hij het zich aanreiken door amateurfilmers. Oftewel, hoe Delpeut de oude filmstroken ook plooit, wendt en onderwerpt aan zijn wil, wat hij uiteindelijk te zien geeft, heeft in ieder geval een bepaald niveau. Dat is bij Forgács lang niet altijd het geval en doordat hij meermalen weinig eigens inbrengt en nogal afstandelijk omspringt met de gevonden films, wisselt de kwaliteit van zijn werk sterk.

Zo is de video Dusi és Jenö (Dusi en Jenö, 1989) heel geslaagd. Forgács stelde de film samen uit de filmpjes waarmee de Budapester bankier Jenö zijn eigen leven vastlegde. Jenö had gevoel voor kader en sfeer en bij elkaar bevat zijn gefilmde dagboek voldoende drama. Niet alleen zien we hem, zijn vrouw Dusi en hun teerbeminde hondje ouder worden en hem na haar dood hertrouwen met een veel wulpser type, we zien ook de achtergrond van dat leven: een vakantie in Tirol (na de Anschluss), nazi-troepen in de binnenstad, een troepje joodse mensen in de verte, die wachten op deportatie, een kapotgebombardeerd huis.

Vagy vagy (Of of, 1989) is veel minder sterk. Het drama zit verstopt in een sierlijk dochtertje dat we uiteindelijk terugzien als een nogal blote nachtclub-danseres. Forgács schoof dat, op het slot na, naar de achtergrond en concentreerde zich veel meer op de Stalinistische 1 mei-parades die haar vader ook vastlegde. Maar verder dan het tonen van die beelden komt hij niet. Dat het materiaal stilistisch zwak is en dat die mensen zo gewoon zijn, dondert niet. Dat Forgács ze niet bijzonder maakte des te meer.

Dat gemis aan belang wreekt zich nog erger bij Polgár Szótár (Burgers woordenboek, 1992): een ratjetoe aan on-bijzonder materiaal, zonder verhaal, zonder drama in elkaar geplakt met het alfabet als ongeïnspireerde leidraad.