Bescherming tegen seksuele intimidatie in VS vergroot

WASHINGTON, 10 NOV. Het Hooggerechtshof in Washington heeft gisteren in een uitspraak klagers over seksuele intimidatie meer juridische bescherming gegeven. Volgens het gerechtshof kunnen werkgevers ook worden gedwongen tot schadevergoeding als de slachtoffers geen psychologische schade van de seksuele intimidatie hebben ondervonden.

“Zolang de omgeving redelijkerwijs zou kunnen worden gezien en wordt gezien als vijandig en intimiderend, dan is er geen noodzaak dat het ook psychologisch schadelijk is”, schreef opperrechter Sandra Day O'Connor gisteren. De uitspraak was geheel unaniem en kwam al een maand na de hoorzitting, wat ongebruikelijk snel is. Een van de opperrechters is Clarence Thomas die tijdens senaatshoorzittingen twee jaar geleden over zijn benoeming uitgebreid aan de tand werd gevoeld over veronderstelde seksuele intimidatie van een van zijn werknemers, Anita Hill. Na die hoorzittingen is het aantal klachten bij de Equal Employment Opportunity Commission met 50 procent toegenomen.

Vrouwenorganisaties reageerden gisteren enthousiast op de uitspraak van het Hooggerechtshof. De baas van de eiser in de zaak had zelf toegegeven dat hij herhaaldelijk seksueel beladen opmerkingen tegen de eiser had gemaakt maar daaraan toegevoegd dat zij daar psychisch geen schade van had ondervonden. Het geval speelde zich in 1987 af in een bedrijf voor vorkheftrucks. Het hof heeft de zaak weer terugverwezen naar de lagere rechter voor verdere studie.

Het Hooggerechtshof heeft in 1986 bepaald dat seksuele intimidatie in strijd met de wet is “als het voldoende ernstig of doordringend is dat het de werkomstandigheden van het slachtoffer verandert”. Het zou ook “voor een redelijk persoon” intimidatie moeten zijn.

Of er sprake is van seksuele intimidatie, is volgens opperrechter O'Connor niet mathematisch te bepalen. “Of een omgeving 'vijandig' of 'grof' is, kan alleen bepaald worden door te kijken naar de omstandigheden”, schreef ze. “Deze kunnen inhouden de veelvuldigheid van het discriminerende gedrag; de ernst; of het fysiek dreigend of vernederend is, of dat het om een enkele beledigende uitlating gaat, en of het het werk van een employée op onredelijke wijze hindert.”