Slachtofferschap

De vrouwenemancipatie verloopt niet naar wens: het gaat trager dan gehoopt en dan soms ook nog in onvoorziene richting. Mannen werken onvoldoende mee, vrouwen stromen maar niet door naar hoge posities, en erger nog: die schaarse vrouwen die wél maatschappelijke topposities bereikt hebben verlangen meer dan eens hevig terug naar het aanrecht, zoals dat schamper genoemd wordt door andere vrouwen die dat zo ongeveer het toppunt van achterlijkheid vinden. Sommige vrouwen blijken andere wensen te hebben dan anderen voor hen bedacht hadden: het eeuwige dilemma in emancipatiebewegingen.

De vraag naar de oorzaken van deze stagnatie kent vele antwoorden, maar deze zijn meestal a-historisch en behoorlijk moralistisch: het gaat fout en het is de schuld van iemand. Wie de schuld krijgt verschuift, maar iets of iemand krijgt de schuld. Ooit - bij het begin van de tweede feministische golf was dat het patriarchaat, de cultuur, of kortweg de mannen. Maar hierin begint nu een interessante kentering op te treden. Vrouwen wensen zich niet langer als slachtoffer te zien en beginnen, voor zover het toch tegenzit, de beschuldigende blik weer meer op zichzelf te werpen. Zo was er onlangs een debat in De Rode Hoed in Amsterdam over de vraag waarom vrouwen niet meer doorstoten naar de maatschappelijke top, met als strijdbare titel 'dóór het glazen plafond' (dat laatste als metafoor voor alles wat vrouwen hierbij tegenhoudt). De ondertitel luidde - en daar zit de interessante wending in het debat: over de valkuilen die vrouwen voor zichzelf graven.

Dat inzien van het eigen aandeel, zoals dat zo mooi heet in de psychotherapie, is natuurlijk een lovenswaardige zaak van mentale eerlijkheid. Vrouwen houden immers ook zichzelf tegen en eronder, en blijven vaak liever veilig een stap achter de mannen lopen om vooral geen irritatie en jaloezie te wekken. Maar om nu te doen alsof het allemaal eigen schuld is gaat me ook wat ver, en doet vrouwen weer belanden in de positie van het eeuwige zelfverwijt, waaraan ze zich nu juist moeizaam ontworsteld hadden. Zit er nou echt niets tussen woede op anderen en de zelfbeschuldiging? Of vraagt dit weer teveel aan genuanceerdheid, waar mensen immers niet van houden omdat het dan allemaal zo ingewikkeld wordt.

Voorbij het slachtofferschap is in vele opzichten natuurlijk een goede ontwikkeling. Want het slachtoffergevoel wordt vervelend, voor jezelf en voor je omgeving en brengt je op den duur niet veel verder. Het is vaak vruchtbaarder om na te gaan hoe mensen overleven en welke strategieën ze daartoe ontwikkelen, dan om te blijven hangen in de kuil van de problemen.

Maar dit is niet het laatste woord over het slachtofferschap. Het vorige week verdedigde proefschrift van de psycholoog Hans Boutellier is gewijd aan dit thema, en zijn centrale stelling luidt dat het slachtoffer de centrale moraliserende noemer is in onze geseculariseerde samenleving (Solidariteit en slachtofferschap, Nijmegen: Sun 1993). Het is een interessante gedachte, die wel de vraag oproept wanneer mensen gevoelig worden voor het lijden van anderen, en van welke anderen. Wanneer en waardòòr zijn, om bij het onderwerp te blijven, mannen ontvankelijk geworden voor vrouwenklachten? Zonder te wijzen op veranderingen in hun machtsverhouding blijft dit een raadsel.

De definitie van vrouwen als onderdrukte groep is onmiskenbaar belangrijk in haar emancipatiestrijd en de verschuiving van de moraal ten gunste van haar positie. Toch hanteren veel feministes op dit moment niet langer de taal van het slachtofferschap of het lijden, maar de taal van de rechtvaardigheid gebaseerd op een gelijkheidsgedachte. Naarmate die laatste gedachte niet langer alleen een ideaal is maar meer werkelijkheid wordt, hoef je niet langer een beroep te doen op het slachtofferschap maar kun je wensen uiten en eisen stellen. Dat laatste vind ik een vooruitgang, maar de weerzin tegen het slachtofferschap kent een gevaarlijke kant waar ze doorslaat naar een soort nietsontziende nieuwe flinkheid. Hoe modern en vitaal dit ook lijkt, het vertoont verdacht veel verwantschap met de oude flinkheid van onze moeders voor wie nooit iets teveel was. Maar dat bleek achteraf het halve verhaal.

    • Christien Brinkgreve