Onbekende vrouwen en mannen in Marmottan en Orsay

PARIJS, 9 NOV. Zij is maar vierendertig geworden. Eva Gonzalès stierf in 1883, zes dagen na Edouard Manet, van wie zij bijna de enige leerling was. Zij liet maar honderd pastels na, waarvan er nu voor het eerst dertig te zien zijn. Samen met haar schilderijen en tientallen minder bekende werken van haar tijdgenoten Berthe Morisot en Mary Cassatt een ontdekking, in het Parijse Musée Marmottan .

Het kleine museum van het impresionisme wint het daarmee in zekere zin van het bejubelde Museé d'Orsay. Voor het Orsay staan de rijen meestal weer trouw te wachten om de Meesterwerken uit de collectie-Barnes te zien, terecht, maar het Marmottan heeft met Les Femmes Impressionistes de meest verrassende tentoonstelling.

De twee tentoonstellingen zijn natuurlijk niet echt te vergelijken. De Barnes-tentoonstelling is voor het eerst in Europa te zien, op een eenmalige excursie buiten het eigen museum van de eigenzinnige Amerikaanse verzamelaar in Merion, Pennsylvania. Hier paraderen meesters van Cézanne tot Matisse. Net als het Musée d'Orsay zelf is ook zijn tentoonstelling groter en machtiger, en bovendien geopend door de president van Frankrijk in aanwezigheid van iedereen.

Maar het gaat in beide gevallen om tientallen schilderijen die zelden of nooit openbaar te zien zijn. In dat opzicht zijn beide exposities buitenkansen voor wie zijn visuele geheugen van de periode wil completeren. Voor Barnes moet men weer en wind trotseren, of kaarten reserveren bij een Fnac-winkel; voor het Marmottan vervoege men zich gewoon op Rue Louis Boilly 2, in het 16de arrondissement (métro Muette).

Het bijzondere van de sober ingerichte maar daarom persoonlijker te genieten tentoonstelling van de drie vrouwelijke tijdgenoten van de Barnes-meesters is dat in het Marmottan met opzet is gezocht naar onbekende werken. Het gaat niet om een poging complete oeuvre-overzichten te geven De drie schilderessen, van wie toch al niet zo bijster veel bekend was, komen er met deze verborgen gebleven werkstukken uit als volwaardige collega's van de gevierde heren.

Marianne Delafond heeft de tentoonstelling voor het Musée Marmottan samengesteld. Zij is uitgegaan van de correspondentie van Berthe Morisot, die bij het museum berust. Daarin kwam zij Mary Cassatt tegen, maar ook regelmatig Mary Gonzalès. Die laatste noemt zij in zekere zin de ontdekking van de tentoonstelling. “Zij is tot nu toe onderschat. Niet alles van haar is goed, zoals bij alle groten. Het blijft wonderlijk dat zij zó onbekend is.” Er is na haar dood maar één grote tentoonstelling aan haar werk gewijd, en in '52 nog één in Monaco, waar zij oorspronkelijk vandaan komt. Misschien is zij zo onbekend gebleven door haar vroege dood.

Gonzalès figureerde wel als leerling van Manet op de tentoonstelling van de kring rond deze impressionist. Zijn portret van haar hangt in de National Gallery in Londen. In de permanente collectie van het Musée d'Orsay is zij vertegenwoordigd met een Gezicht op Dieppe, dat zij schilderde toen zij met haar moeder Parijs was ontvlucht tijdens de Frans-Duitse oorlog.

In Arts et Décorations van mei 1914 wordt die eerste tentoonstelling gewijd aan de net overleden Gonzalès besproken. Daar wordt zij geprezen als een nijvere navolgster van haar monumentale leermeester: “Cest Manet en plein, mais Manet moins à force.” Het is de vraag of dat het laatste woord moet zijn. Wie onbevangen deze tedere, verlegen vrouwenportretten en buitenschetsen op zich laat inwerken, kan iets nieuws ontdekken. Gonzalès blijkt een warme finesse te bezitten, die nergens preciezerig wordt. Ik heb zelden een vaasje rozen gezien dat ik zo graag zou bezitten. De voor de hand liggende vraag is: hoe ver zou zij gekomen zijn als zij de tijd van werken had gekregen?

Was Eva Gonzalès sowieso op de achtergrond gebleven, ook van de vaker beschreven en gereproduceerde Cassatt en Morisot heeft het Marmottan de hand weten te leggen op tientallen werken die berusten bij particuliere verzamelaars, die meestal niet zo happig zijn op uitlenen. Er staat voor hen niets tegenover en het kan gretige overheden en malafide verzamelaars maar op ideeën brengen.

De rijkdom aan nieuwe impressionistische schilderijen in het Marmottan is moeilijk te omschrijven. Vele zijn zo vanzelfsprekend dat je snel vergeet dat zij niet tot het gemeengoed uit de plaatsjesboeken behoren. Van Berthe Morisot, die met Manets broer Eugène was getrouwd - ook zij werd niet oud (54) - is een rijkdom aan stijlen en technieken te zien. Haar onderwerpen zijn meestal kinderen, jonge vrouwen, ouders met kinderen.

Bij alle drie, maar bij Morisot misschien het meest opvallend is dat intimiteit nooit tot huiselijkheid verwordt. Afgezien van een paar landschappen, zijn het vooral mensen, die leven en emoties hebben, waar we niet van worden afgeschermd, terwijl de gedachte aan voyeurisme niet eens opkomt. Gewoon doen, zonder tè gewoon te worden. Misschien is dat het unieke èn het vrouwelijke aan het impressionisme van deze vrouwen.

Mary Cassatt, die de andere twee ruimschoots overleefde (zij stierf in 1926), was me altijd als wat Amerikaans bijgebleven. Een lelijk vooroordeel natuurlijk. Zij doet minder in stemmingen en andere gevoeligheden, maar zij krijgt hier de kans de breedte van haar techniek te demonstreren. Haar droge naald met aquatint Au bord de l'étang (uit 1896) heeft een bijna Westerik-achtige droge directheid.

De tentoonstelling met topstukken uit de Barnes-collectie is natuurlijk om andere redenen een evenement. De verzameling van de succesvolle pillenmaker uit Philadelphia is zeer vergelijkbaar met de permanente collectie van het Musée d'Orsay. Dat was één van de argumenten waarmee directrice Françoise Cachin de tentoonstelling naar haar museum wist te krijgen, terwijl andere gebouwen er van nature misschien geschikter voor waren geweest.

Om het wetenschappelijke karakter van de onderneming te onderstrepen heeft men hier en daar eigen impresionisten naast die van Barnes gehangen, om te laten zien hoe moeilijk ze soms te dateren of te begrijpen zijn. Dat is best aardig, maar de klapper blijft het zien van schilderijen die hoogstens in bleek zwart en wit op afbeeldingen beschikbaar waren. Een naakt van Van Gogh, niet om ieder dag aan de muur te hebben, is toch een verrassing. Een bijna dramatisch vrouwenportret van Toulouse Lautrec, dat is geen posterkunst.

En dan tientallen nieuwe Cézannes, vroege, figuratieve Picassos, een handje vol karakteristieke Modiglianis. Rousseau le Douanier. En een beeldschone Monet, in zijn atelier-boot. Het kan niet op. En dan komen nog een aantal Matisses die de grote Matisse-tentoonstelling, een half jaar geleden in het Centre Pompidou, een ander aanzien hadden gegeven: dan was minder het beeld blijven hangen van een kunstenaar die vastliep. Deze Matisse heeft zijn mooiste kleuren op het doek gekregen en lijkt vol inspiratie.

Barnes was niet alleen rijk en lastig, hij moet ook een uitzonderlijk talent hebben gehad om zo'n hoog percentage raak te hebben geschoten. Beide tentoonstellingen duren tot het eind van het jaar. De Barnes-tentoonstelling gaat nog door naar Tokio en Philadelphia.