Metze schetst machinaties banken in 'De geur van geld'; Hoe ING zijn NMB'ers verloor

De Geur van Geld: een opmerkelijk bankafschrift - Marcel Metze. Uitgeverij Sun Nijmegen ISBN 90-6168-396-3. Prijs 39,50 gulden.

“Achter een lange tafel voor zilveren bestek, Davidoff-sigaren (Scherpenhuijsen Roms favoriete merk) en wijn, zat een aantal directeuren, gekleed in sjieke pakken. Zij verbeeldden de Raad van Bestuur van de NMB. Voor hen kwam een stel vakbroeders op, voorstellende de nieuwe Postbank-collega's. Ze waren uitgedost als postbodes, duwden postkarretjes voort en haalden pakjes shag tevoorschijn. Ze zongen: “Wij gaan jullie beroven van scepter en kroon”.(..) Al zingend ontdeden ze de 'NMB-top' van hun colberts, trokken die zelf aan, duwden de heren van hun stoelen en namen plaats achter de tafel. Aan het eind van het lied sjokten de onttroonde NMB-bestuursleden met postkarren en met postpetten op het gebogen hoofd het toneel af. Het was juni 1989.”

Zo beschrijft Marcel Metze in zijn vandaag gepresenteerde boek 'De geur van geld' het laatste grote feest van de NMB voor de fusie met de Postbank. Metze: “Een feest met profetische waarde. Drie jaar later waren bestuursvoorzitter Wim Scherpenhuijsen Rom, de bestuursleden Ton Soetekouw en Ide van der Boor, plus een rijtje directeuren - allen afkomstig van de voormalige NMB - uit de top van bank verdwenen.”

De laatste zin mag dan weliswaar een niet geheel getrouw beeld geven - Van der Boor ging met pensioen en ook de Postbank kende met het vertrek van Herman Unger een slachtoffer - over de gehele linie schetst Metze een interessant proces van de machinaties binnen de gefuseerde NMB-Postbank, die nu onderdeel vormt van Internationale Nederlanden Groep (ING).

Hij beschrijft hoe oud-Postbanker Hans Verkoren gepasseerd werd door de NMB-top voor een functie in het bestuur van NMB-Postbank, hoe vervolgens een aangeschoten Verkoren in een bar in het Hilton Hotel in het bijzijn van journalisten zijn mond voorbij praatte - al dan niet bewust. Verkoren zou toen geroddeld hebben over beleggingen van NMB-bestuurder Ton Soetekouw in automatiseringsbedrijf Newtron. Beleggingen die Soetekouw uiteindelijk fataal werden en Scherpenhuijsen Rom meetrokken in zijn val, evenals de top van de NMB-docher Merchant Bank: Frits de Sterke, Jan Willem Verhoef en administrateur Doeke Veld.

Uit de wijze waarop Metze dat proces beschrijft, blijkt - en hij geeft dat zelf ook ruiterlijk toe - dat hij geen ingangen had bij De Nederlandsche Bank (DNB), toezichthouder op het Nederlands bankwezen. Bij de ING had hij evenmin entree, maar dat blijkt inhoudelijk zeker niet.

Dat hij NMB in de eerste zin van het boek - Nederlandse in plaats van Nederlandsche Middenstandsbank - verkeerd spelt, kan lezers afstoten. Maar dat is lang niet zo hinderlijk als de DNB-absentie. Metze beschrijft de bank aan het Frederiksplein als een arrogant, met willekeur ingrijpend instituut dat er in slaagt mensen een Berufsverbot op te leggen. Uit die beschrijvingen - vooral bij het ontslag van Staal-bankier Jongbloed - blijkt dat Metzes visie op de houding van DNB vooral steunt op verklaringen van gedupeerden. Nu kan de stelling worden gehuldigd dat De Nederlandsche Bank dit oordeel over zich heeft afgeroepen door zich niet met de publikatie in te laten. Een lezer die een getrouw beeld wil krijgen over het toezicht door de centrale bank heeft echter niets aan die stelling. Een gespreksronde met andere bankiers zou een genuanceerder beeld van de werkwijze van het Frederiksplein hebben opgeleverd.

De apotheose van de NMB-affaire kwam in september 1992, toen deze krant een brief publiceerde waaruit bleek dat Scherpenhuijsen Rom wist van de privé-handel van Soetekouw en vrijwel tegelijkertijd een verhaal in De Volkskrant verscheen over privé-beleggingen van Scherpenhuijsen Rom in vastgoed van Jarino, eind jaren zeventig.

“Witteveen en Choufoer (commissarissen van ING, WvE) komen na urenlang vergaderen tot de slotsom dat in het Volkskrant-artikel geen enkel nieuw feit boven tafel is gekomen. Aangezien het dossier-Jarino indertijd door De Nederlandsche Bank is bekeken, met als eindoordeel 'geen consequenties', zien ook zij geen reden waarom Scherpenhuijsen Rom daarvoor nu alsnog zou moeten aftreden.” Choufoer gaat met vakantie in de overtuiging dat De Nederlandsche Bank het wel met de commissarissen eens is.”

Dan schetst Metze dat DNB-directeur Wellink de ING-commissarissen op de hoogte brengt van niet eerder bekende aantekeningen over het dossier Jarino, zonder eruit te citeren of ze te lezen te geven, waaruit blijkt dat er toch mogelijk een onzuiverheid was bij de afwikkeling. Wat die onzuiverheid was wordt de lezer niet duidelijk.

Commissaris Witteveen was verrast door de uitlatingen van Wellink: “Tijdens het gesprek met Witteveen herhaalt Scherpenhuijsen Rom zijn standpunt dat de Jarino-kwestie een oude zaak is, die correct is afgewikkeld - hetgeen DNB indertijd niet heeft bestreden. Als echt tot hem doordringt dat hij niet langer op Witteveen steunen kan, stelt hij dat aanblijven - met deze publicitaire schade - zowel voor hemzelf als voor de bank niet goed zou zijn. (...) Het is een dramatisch, snel en overwacht eind van de carrière van de 58-jarige ING-voorzitter.”

Metze beschrijft daarmee eigenlijk voor het eerst op genuanceerde wijze, met gevoel voor de positie van president en commissaris, hoe ING werd ontdaan van de NMB. Daarmee bewijst Metze opnieuw dat hij geïnteresseerde dag- en weekbladlezers meer kan bieden dan alleen een mooi opgeschreven samenvatting van krantenberichten. In 1991 beschreef hij de neergang van Philips in 'Kortsluiting' op zo'n manier dat zelfs de meest kritische Philips-watchers in de media moesten toegeven dat een grote prestatie was verricht.

Zijn nieuwe titel 'De geur van geld' doet denken aan publikaties uit de jaren zeventig waarbij de maatschappelijke visie op kapitaal belangrijker was dan feitenmateriaal. Het zou jammer zijn wanneer de titel lezers zou afschrikken, want het boek is op de eerste plaats een journalistieke speurtocht naar de werkelijke toedracht.

Metze heeft zich niet beperkt tot de ING-affaire, al vormt deze wel de rode draad van het boek. De auteur beschrijft ook ontwikkelingen bij andere Nederlandse banken, maar komt hierbij niet veel verder dan een kundige samenvatting van wat in de afgelopen jaren in de kranten heeft gestaan. De pretentie van een boek over de Nederlandse bankiers, zoals de flaptekst vermeld, wordt daarmee niet helemaal waargemaakt. Dit is overigens meer een aanmerking op de flaptekst dan op boek of auteur - van wie in een tijdsbestek van twee jaar die inspanning niet verwacht kon worden. De beschrijvingen over de ontwikkeling bij de andere banken misstaan in dit boek namelijk niet: ze geven perspectief aan een reconstructie over de grootste bankaffaire van de afgelopen jaren. Metze bewijst met dit boek opnieuw met journalistiek speurwerk fraaie non-fictie te kunnen componeren, die beter leest dan menige roman.

    • WABE van ENK