Kunstraad pleit voor GATT cultuurparagraaf

DEN HAAG, 9 NOV. De Raad voor de Kunst vindt dat het opnemen van een aparte cultuurparagraaf in het GATT-handelsakkoord, vergelijkbaar met die in het Verdrag van Maastricht, de beste manier is om de eigen audiovisuele industrie te beschermen. Dat schrijft de Raad in een advies aan minister d'Ancona van WVC. Amerika wil dat het GATT-akkoord (General Agreement on Trades and Tariffs), over liberalisering van de wereldhandel, op 15 december wordt gesloten.

De Raad constateert dat vrijhandel voor de audiovisuele industrie impliceert, dat de Europese steun- en quotaregelingen op de helling moeten. Dit zou het functioneren van ondermeer het Filmfonds en het Stimuleringsfonds in gevaar kunnen brengen. De Raad bepleit daarom niet alleen “een bijzondere positie voor de kunsten” binnen het akkoord, maar ook versterking van de nationale audiovisuele produktie. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een voorheffing op biscooprecettes, televisie-inkomsten en opbrengsten van video's. Zo kan een deel van het geld dat aan buitenlandse - meestal Amerikaanse - audiovisuele produkten wordt besteed, aan de Nederlandse produktie ten goede komen. Een dergelijk systeem zou voor heel Europa moeten gelden. Deze mogelijkheid hebben filmmakers vorig jaar al bepleit bij het Europese Parlement en de Europese Commissie.

De Raad voor de Kunst vermoedt dat bij het invoeren van een aparte culturele paragraaf, Amerika de Europese steun- en quotaregelingen zal gedogen, “zeker zolang de schade hiervan aan Amerikaanse zijde niet als bijzonder belangrijk ervaren wordt”.