Jacht op werknemers

Het zou te veel eer zijn om aan het centraal akkoord dat werkgevers en werknemers vorige week sloten de betekenis van keerpunt in de ontwikkeling toe te kennen. Ten onrechte zijn er vergelijkingen getrokken met het befaamde Akkoord van Wassenaar dat Kok (destijds voorzitter FNV) en Van Veen (voorzitter VNO) in 1982 bedisselden. Een paar overeenkomsten zijn er wel. Het akkoord is tot stand gekomen onder dreiging van een looningreep. Net als toen is het de sterk oplopende werkloosheid die de sociale partners dwingt tot een regie van loonoffers ten gunste van winstherstel en verbetering van de werkgelegenheid, waarbij lopende cao's kunnen worden opengebroken.

Er is ook beweerd dat dit akkoord de weerspiegeling zou zijn van de nieuwe arbeidsverhoudingen. Dit is waar voor zover het vooral de vakbeweging is die concessies heeft moeten doen op het punt van flexibilisering van arbeidstijden en beloningen. In dit opzicht gaat het akkoord lang niet ver genoeg in de ogen van werkgevers. De president-directeur van Stork, J. Hovers, heeft, aldus een interview in de Volkskrant, onder woorden gebracht wat zij eigenlijk willen. Langer werken, ook in het weekeinde, minder vrije tijd en verlaging van het minimumloon zijn volgens hem nodig om te kunnen concurreren met het buitenland. Zelf is hij van plan een deel van de produktie van zijn bedrijf naar lage-lonen-landen over te brengen, omdat de arbeidsmarkt in Nederland te star is.

De arbeidsverhoudingen in ons land zijn inderdaad aan het veranderen. Die veranderingen betekenen in het algemeen een verzwakking van de positie van de werknemers doordat hun inkomens- en werkzekerheid worden aangetast. Het vast dienstverband, dat inkomenszekerheid biedt, wordt meer en meer verdrongen door tijdelijke aanstellingen. De werknemer van vandaag is niet langer gebonden aan zijn bedrijf. Steeds vaker wordt hij op tijdelijke basis gedetacheerd, via uitzendbureaus ingehuurd of als oproepkracht in reserve gehouden.

Deze trend, die in het algemeen als flexibilisering van de arbeid wordt aangeduid, zal de arbeidsmarkt ingrijpend veranderen. De behoefte van ondernemers aan flexibele verhoudingen komt voort uit de noodzaak in te spelen op snel veranderende consumentenvoorkeuren en op de sterk toenemende concurrentie in binnen- en buitenland. De gevolgen voor de arbeidsmarkt zullen ingrijpend zijn. Er zullen verschillende categorieën werknemers ontstaan voor wie verschillende soorten arbeidsovereenkomsten zullen worden gesloten.

In zijn nota Meer werk, weer werk doet minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid tal van voorstellen die de verstarringen van de arbeidsmarkt moeten doorbreken. Zo wil hij de wenselijkheid van het algemeen verbindend verklaren van cao's ter discussie stellen. Hij wil ook het verstarrende effect van de loonstructuren, schaalindelingen en secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden binnen een bedrijfstak op de korrel nemen. Verder is hij van plan het ontslagrecht te versoepelen, omdat werkgevers eerder geneigd zouden zijn mensen in dienst te nemen als zij weten dat zij ook weer vlot van ze af kunnen. Verder wordt de speelruimte voor uitzendbureaus aanzienlijk vergroot.

P.F. van der Heijden en J.A. Kamps aarzelen niet deze voorstellen in het economenvakblad Economisch/Statistische Berichten revolutionair te noemen. Johan Stekelenburg, de voorzitter van de FNV, zei in dit verband dat de jacht op de werknemer is geopend. Hij hoopte dat het centraal akkoord daar een eind aan zou maken. Ik denk dat die hoop ijdel is. De vakbeweging is niet meer bij machte een 'beschermende wal' op te werpen tegen de uitholling van de positie van de werknemers door steeds verdergaande flexibilisering van de arbeidsverhoudingen. Ze zal er wel aan mee moeten doen in het besef dat dit onvermijdelijk is om in de internationale concurrentiestrijd te kunnen overleven.

Flexibilisering van arbeid kan ook betekenen dat de klok een eeuw of wat wordt teruggedraaid. Werknemers worden weer gereduceerd tot arbeiders die op de arbeidsmarkt alleen hun arbeidskracht hebben aan te bieden (Nurarbeiter in de terminologie van Karl Marx). Bepaalde groepen werknemers worden in hun inkomens- en rechtszekerheid bedreigd als de bescherming van de collectiviteit komt te vervallen. Dat geldt niet voor die kleine groep van hooggeschoolden met een sterke positie op de arbeidsmarkt, die een vaste band houden met hun onderneming. Zij zullen weinig behoefte hebben aan collectieve belangenbehartiging, omdat zij heel goed voor zichzelf kunnen zorgen. Dat geldt wel voor de andere categorieën werknemers die niet meer vast gebonden zijn aan een onderneming, maar tot het vlottende bestand behoren waaruit ondernemers naar behoefte kunnen putten.

    • A.F. van Zweeden