FAO-fiasco

WAAR KAN HET toch mis zijn gegaan? Zestig landen heeft Gerrit Braks de afgelopen maanden bezocht, geen enkele internationale topconferentie die er toe deed liet hij lopen, oneindig veel handen zijn geschud. Naarmate de campagne vorderde, proefde hij dat zijn campagne aansloeg. Het werd hem zelfs gezegd. “Toen ik in een aantal landen op bezoek kwam zeiden ze: we hadden al een grote voorkeur voor je, maar dit bezoek is doorslaggevend”, aldus Braks ruim een week geleden. Een plaats bij de laatste vier zat er toch wel in. En dan gisteren de ontnuchtering: negen van de 168 stemmen in de eerste ronde, alleen nog maar de stem van Nederland in de tweede ronde. Dat Braks geen directeur-generaal van de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie, zou worden, was van meet af aan een reële mogelijkheid, maar zo'n verpletterende nederlaag?

De voor de hand liggende vraag na het FAO-fiasco is of Nederland nog wel in staat is een effectieve lobby te organiseren. De lijst met 'nieten' als het gaat om het verkrijgen van internationale functies of het binnenhalen van instellingen begint zo langzamerhand indrukwekkende vormen aan te nemen. Toch komt het bij dit soort internationale transacties niet alleen aan op lobbyen. De presentatie kan nog zo vlekkeloos zijn, de uiteindelijke keuze is toch vaak de uitkomst van een ruil. Daarbij geeft niet het glanzende papier de doorslag, maar het belang dat de kandidaat vertegenwoordigt.

Braks was de kandidaat van de Nederlandse regering. De eerste vraag moet dan ook luiden welke signalen de regering had dat de kandidatuur van Braks enige kans maakte. De volgende vragen zijn wat de Nederlandse regering gedaan heeft om de lobby-Braks tot meer te maken dan een eenmansactie van een omroepvoorzitter en welk wisselgeld Nederland achter de hand had. Braks heeft verklaard dat hij rekende op het uiteenvallen van het stemmenblok van de ontwikkelingslanden en uit die hoek steun verwachtte. Maar evenals indertijd bij de kandidatuur van Ruding voor het IMF in 1986 lieten de ontwikkelingslanden het volslagen afweten bij steun aan een kandidaat uit het land dat zich internationaal laat voorstaan op zijn solidariteit met de Derde wereld. In het geval van de FAO bleef het ontwikkelingsblok achter de kandidaat uit Senegal staan.

DE STRIJD OM internationale functies en instellingen is per definitie niet open. In het verleden heeft Nederland vaak landgenoten op topposities kunnen krijgen, omdat kandidaten uit andere, grotere landen het niet mochten worden. Die rol is niet meer voor Nederland weggelegd. Nu het op eigen kracht moet gebeuren, blijkt hoe bescheiden de positie op het wereldtoneel is. Het betekent voor een Nederlandse kandidatuur niet alleen een goede lobby, maar vooral een uitgekiende.

Bij de slag om de Europese instellingen kon worden getwijfeld of het verstandig was om zich voor drie prijzen tegelijk op te werpen. In het geval van de FAO-post wordt de verdeeldheid tussen de Europese landen genoemd als één van de redenen voor de mislukking. Een vaststelling die beter vooraf had kunnen worden gedaan. Dan was wellicht voorkomen dat een Duitser, een Ier en een Nederlander in het strijdperk traden en vooral elkaar in de weg zaten.

Nederland heeft opnieuw de boot gemist. Het risico zat er in. Verliezen is niet erg. Het wordt pas problematisch als men alleen nog maar als verliezer wordt genoteerd. Een factor om rekening mee te houden bij volgende kandidaatstellingen.