Een beestenboel in Rotterdam

Mr. A. Horstink, strafkamerpresident van het Haagse gerechtshof, is een man met twee gezichten. Hij kan uiterst aimabel zijn tegen verdachten, getuigen en advocaten. Op zulke momenten klinkt hij als een begrijpende vader die het beste voor heeft met zijn kind. Maar als dat kind iets te veel tegenspreekt, kan het humeur van de president plotseling exploderen. Dan krimpt zijn mond van venijn en bestookt hij de verdachte met vragen vol verwijt en hoon.

Raymond Tergast, een man van amper twintig uit Rotterdam, blijft er tamelijk rustig onder. Hij is in beroep gegaan tegen de straf die de Rotterdamse rechtbank hem eerder oplegde: 36 maanden gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk voor verkrachting en aanzetten tot verkrachting.

Het gaat om een naargeestige affaire die een nogal ontmoedigend licht werpt op de mentaliteit van sommige groepen van jongens in de grote stad. Het is alsof alle aanwezigen in de rechtszaal, ook de advocaat, met enige ontzetting de beschuldigingen en feiten tot zich nemen - zó stil wordt het.

Tergast zou vorig jaar tweemaal, met een tussenpoos van enkele maanden, een meisje naar een huis hebben meegenomen om haar te verkrachten en te laten verkrachten. Het patroon was in beide gevallen ongeveer hetzelfde: de meisjes, bekend met één van de betrokken jongens, lieten zich overhalen met Tergast mee te gaan en werden vervolgens door de hele groep overweldigd. Dat er van verkrachting sprake is geweest, ontkent Tergast eigenlijk niet. Hij beweert alleen dat hij er niet bij was toen het gebeurde. De slachtoffers zouden zich vrijwillig aan hèm hebben gegeven. Pas toen hij zich uit de voeten maakte, liep het uit de hand.

Eerst is er de zaak met Jetty.

“Geeft u toe dat u samen met John met haar bezig was, hoewel ze niet wilde?” vraagt de president.

“Niet dat ze niet wilde. Ze had mij en Lex aangewezen.”

“Waarom heeft ze dan geroepen: stop, stop?”

“Ze zei alleen: ik ben moe, even een sigaretje.”

“Toen bent u van positie veranderd en op haar hoofd gaan zitten, zodat ze niet kon schreeuwen?”

“Nee, ik was al klaargekomen en naar de douche gegaan. Toen gingen de anderen naar binnen en begonnen met haar.”

“Dat is dan de zoveelste variant. Uit de verklaringen van anderen is gebleken dat ze niet wilde, dat ze haar bij de benen moesten vasthouden.”

“Klopt niet.”

“Ze deed het uit liefde?” De stem van de president is nu geladen met woedend sarcasme.

“Nee...”

“Zeg dan gewoon dat het tegen haar wil was”, bijt de president hem toe.

“Het is niet waar. Ze werd niet vastgehouden.”

“Heeft u gezegd: de deur zit op slot, je moet ons allemaal neuken?”

“Nee.”

“Zij moest u pijpen.” De president vraagt al niet meer, hij stelt vast.

“Nee, ze heeft me vrijwillig gepijpt”, zegt Tergast.

“Was de afspraak om te gaan ploegen?”

“Ploegen? Wat is dat?”

“Oh, dat weet u niet?” zegt de president ongelovig. “Dat is als meerdere jongens achter elkaar hetzelfde meisje gebruiken. Zo noemen zij dat zelf.”

“Groepsseks dus”, zegt Tergast.

“Kent u het woord 'zetten' misschien? Als u dat ook niet weet, nemen we daar goed nota van.” De president lijkt buiten zichzelf van kwaadheid. Maar het helpt niet tegen deze verdachte.

“U heeft uw conclusie al getrokken”, merkt Tergast koeltjes op.

“Heb ik niet”, bitst de president - en dóór gaat hij.

“Ik kan me de irritatie wel voorstellen”, zegt de advocaat, mr. E. Weening, even later, “maar op deze manier ontstaat de schijn dat het hof bevooroordeeld is. Het lijkt op stemmingmakerij.”

“Nee, dit is geen stemmingmakerij”, sist de president. Hij schept even adem. Dan: ”De een neukte, de ander werd gepijpt.”

“Mijn cliënt is consequent in zijn verklaringen”, zegt de advocaat.

“Dan heeft u een andere opvatting dan ik.”

Dan moet de tweede zaak, die met Hilda, worden doorgenomen. Hier verweert Tergast zich het felst. Hij kende Hilda, ze was - dat heeft ze toegegeven - geheel vrijwillig met hem meegegaan. Er waren vier jonge jongens, pubers nog, bij geweest. Eerst was Tergast met Hilda naar bed gegaan. Toen was hij weggegaan en hadden de jongens Hilda besprongen. Tja, dat was pech.

Tergast was intussen naar zijn stamcafé gegaan en met een groepje jongens teruggekomen. Die wilden het ook wel even met Hilda proberen. Tergast moet toegeven dat hij het toen niet meer in de hand had gehad. “Toen ik zag dat het een beestenboel was geworden en er wat van zei, luisterde er niemand meer naar me.”

“Heeft u gezegd: we gaan je palen, dit is je verdiende straf?” vraagt de president.

“Nee, die kwestie was al opgelost.”

“Maar u weet wel wat 'palen' betekent? Ik vraag het maar even omdat u dergelijke woorden zojuist ook niet begreep.”

Het gebezigde jargon is een verhaal apart. Er gaat een schemerwereld van macho-achtige patserij achter schuil. “Alleen al uit die term blijkt weinig respect voor de vrouw”, zegt de procureur-generaal (de aanklager), mr. H. Feber. “Ploegen doe je met een passieve akker.”

De advocaat corrigeert hem. “Hieraan kunnen we zien wat voor verschil er bestaat tussen hun en onze wereld”, zegt hij. “Het heeft niets met akker te maken. Het gaat erom dat die jongens als ploeg gemeenschap willen met een vrouw, vrijwillig of onvrijwillig.” Hij voegt eraan toe: “Die tweede zaak heeft zich op bijna dierlijk niveau afgespeeld.”

''Dat noteer ik'', zegt de president met instemmende ironie.

“Het gaat primitief toe in die wereld”, licht de advocaat nader toe. “Als je in zo'n bar zit en je wilt iets van een meisje, dan schuif je geen ring of bloemen naar haar toe, maar een condoom - over de bar.” Van de bij deze twee zaken betrokken meisjes heeft hij evenmin een hoge dunk. “Het zijn meisjes waarvan men weet dat ze er wel pap van lusten. Maar dat is geen vrijbrief.”

Hij vraagt vrijspraak omdat hij meent dat zijn cliënt niet aan de verkrachtingen heeft deelgenomen. Hij wijst op de forse gestalte van zijn cliënt. Vóór zijn arrestatie was hij muzikant in een popband. “Hij zit nu dertien maanden vast”, zegt de advocaat, “en hij is al vijftien kilo aangekomen. Hij heeft zich daar helemaal gesetteld. Ik vind dat zorgwekkend.”

Er volgen die morgen nog drie rechtszaken: drie gevallen van groepsverkrachting in Rotterdam.

(Het vonnis, twee weken later: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.