Edo de Waart bouwt aan superieure Wagner-traditie; Lohengrin met verstand èn passie

Concert: Lohengrin van R. Wagner door het Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor en Operakoor Leipzig o.l.v. Edo de Waart m.m.v. o.a. Thomas Sunneg©1ardh, Deborah Voigt, Kurt Rydl, Sergei Leiferkus, Gabriele Schnaut en Eike Wilm Schulte. Gehoord: 6/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz.: 12/11 19.00 uur Vara Radio 4.

Met het eigen orkest systematisch, intensief en bevlogen werken aan langjarige projecten schept resultaten die uitgroeien tot indrukwekkende tradities. Zo bouwt Edo de Waart tijdens de Matinee op de vrije zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw aan een Mahler-cyclus die allengs imposanter wordt. En al eerder begon hij aan een Wagnertraditie met een concertante uitvoering van Der Ring des Nibelungen, vorig jaar voortgezet met een zeer succesvolle Parsifal.

Afgelopen zaterdag was er Lohengrin, zó fantastisch uitgevoerd dat zoiets zonder die vorige Wagner-evenementen onmogelijk leek. Het was in de toch al zo rijke opera-historie van de Matinee opnieuw een fabuleus hoogtepunt, vergelijkbaar met die overweldigende Les Troyens van Berlioz, die De Waart deze zomer bracht en met de ook door hem gedirigeerde Strauss' Die Frau ohne Schatten, in 1990 een gebeurtenis van enorm kaliber.

De Waart lijkt in zijn samenwerking met het voortreffelijk en geïnspireerd spelende Radio Filharmonisch Orkest inmiddels het stadium van begenadigd kunstenaarschap te bereiken. En nu De Waart zich onlangs nog voor tien jaar aan het Muziekcentrum van de omroep heeft verbonden, kan nog veel goeds worden voorspeld.

Deze Lohengrin was voor De Waart ook een revanche op Bayreuth, waar hij de opera in 1979 dirigeerde en vervolgens bedankte voor de eer om dat ook de jaren daarna te doen. De Waart moest er bij zijn debuut werken met een telkens van personele samenstelling wisselend orkest waarmee hij binnen één reeks voorstellingen zelfs geen micro-traditie kon scheppen.

In deze Amsterdamse Lohengrin stonden in de hoofdrollen ook drie zangers die al eerder in de Matinee optraden. Deborah Voigt was met haar stralend innemende sopraan een onschuldige en steeds aandoenlijker treurige Elsa. Sergei Leiferkus was een Friedrich aan wie men hoorde hoe hij werd gemanipuleerd door zijn echtgenote Ortrud. Gabriele Schnaut gaf een ijzingwekkend demonische vertolking van deze kil berekenende Wagneriaanse Lady Macbeth.

Ook de drie Matinee-debutanten waren zangers van formaat: de befaamde Kurt Rydl als een autoritaire Heinrich, Eike Wilhelm Schulte als een heraut met een verbazingwekkend volumineuze klaroenstem, en Thomas Sunneg©1ardh in de zo moeilijk te bezetten titelrol van de nobele Graalridder, een afgezant van een heilige, voor normale mensen onbereikbaar verre en andere wereld. De stem van de Zweedse tenor bleek prachtig blank en toch mannelijk, herinnerend aan Jess Thomas die in de jaren zestig in Bayreuth Lohengrin zong. Helaas had Sunneg©1ardh wat intonatieproblemen, maar zijn Graalsvertelling was meeslepend.

De Waart presenteerde Lohengrin (1848) als het definitieve keerpunt in Wagners oeuvre: de vele pompeuze scènes memoreren zijn vroege 'Grand opéra' Rienzi, de sobere dramatiek waarmee de tweede acte begint loopt vooruit op Der Ring. De Waart belichtte beide aspecten op ideale wijze: hij begon met een ijl zilveren visioen van de Graalsburcht en ontwikkelde daarna een zinderende en buitengewoon expansieve en theatrale uitvoering, met groepjes schallende koperblazers die her en der de zaal betraden. De lange tweede acte was binnen het geweldige geheel nog de grootste belevenis met overdonderende koorpartijen: het Groot Omroepkoor was nog versterkt met het operakoor van Leipzig. De Waart bouwde het allemaal superieus beheerst op, hij dirigeerde met verstand èn met passie.

    • Kasper Jansen