Blinde keuze voor vrije markt is uitkomst verkeerde analyse

De krampachtige pogingen van de diverse fractievoorzitters tijdens de Algemene Beschouwingen om het eigen gelijk te profileren, kunnen niet verhullen dat er in politiek Den Haag op dit moment vooral consensus bestaat.

Er bestaat consensus over de noodzaak tot herbezinning op de rol van de overheid, er bestaat consensus over de noodzaak het sociale verzekeringsstelsel drastisch in te krimpen, er bestaat consensus over de wenselijkheid van een grotere rol voor de markt. Of het nu gaat om de aanleg van de Betuwelijn, de ondertekening van het verdrag van Maastricht of het rapport van de Enquêtecommissie onder leiding van Flip Buurmeijer, uiteindelijk blijkt men het in Den Haag altijd in grote lijnen met elkaar eens te zijn.

Natuurlijk, de door het CDA voorgestelde afschaffing van het minimumloon is voor menig prominent PvdA-lid aanleiding geweest om nog eens te beklemtonen dat er wel degelijk verschillen bestaan tussen de twee coalitie-partners. Maar de ontmanteling van de WAO door het huidige kabinet heeft afdoende aangetoond dat aan dergelijke uitspraken niet al te veel waarde moet worden gehecht. En natuurlijk, Groen Links is tegen gasboringen in de Waddenzee, de VVD tegen een autoloze zondag en D66 tegen benoemde burgemeesters. Maar steeds vaker spitsen de meningsverschillen zich toe op de franje, de kleine lettertjes, de uitzonderingsgevallen; over de algemene koers van het schip van staat bestaat consensus.

Het CDA heeft bij de presentatie van haar verkiezingsprogramma gesteld dat er een 'waterscheiding' moet komen met de naoorlogse periode en het nu tijd is voor een periode van nieuwe zakelijkheid waarbij deregulering, privatisering en in het algemeen minder overheid en meer markt de boventoon voeren. De geërgerde reactie van de PvdA daarop is terecht. Het is het kabinet Lubbers-Kok geweest dat die waterscheiding reeds tot stand heeft gebracht. Dit kabinet is bij het ontmantelen van de sociale zekerheid en het beperken van de collectieve voorzieningen verder gegaan dan alle voorgaande kabinetten samen. Tijdens deze kabinetsperiode is de neo-liberale visie pas echt doorgebroken op het Binnenhof. Niet alleen bij de coalitiepartijen, maar kamerbreed.

Maar als zelfs de oppositie dat beleid in hoofdlijnen steunt, wie zal dan nog durven beweren dat het fundamenteel onjuist is? En toch is dat wat ik wil aantonen. De breed gedragen keuze voor 'de markt' als panacee voor de problemen van deze postmoderne tijd is de uitkomst van een verkeerde analyse, gevolgd door verkeerde keuzes, gemaakt op grond van verkeerde prioriteiten.

In een interview in NRC Handelsblad van 28 augustus zei minister Andriessen van economische zaken over het inkomensbeleid: “Ik kies niet voor een grotere ongelijkheid; ik heb niets te kiezen, het is onafwendbaar.” Daarmee geeft hij heel exact aan hoe er op dit moment in de Nederlandse politiek wordt gedacht. Nu niemand meer gelooft in de maakbaarheid van de samenleving, wordt de economie afgeschilderd als ware zij een natuurverschijnsel. En wie eenmaal gelooft dat de economische krachten net als orkanen en bolbliksems onbeheersbaar zijn, kan niet anders doen dan Andriessen gelijk geven: het Nederlandse minimumloon zal dalen als gevolg van de concurrentie door landen met goedkopere arbeidskrachten en de hoogste inkomens zullen stijgen als gevolg van de concurrentie door een land als de Verenigde Staten, waar een topmanager vele tientallen malen meer kan verdienen dan in West-Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder. In dat licht bezien is ook de afbraak van de verzorgingsstaat zoals die zich op dit moment voltrekt 'onvermijdelijk'.

De denkfout zit hem natuurlijk in het tot natuurverschijnsel bombarderen van de economie. Als de economie in de kapitalistische wereld in feite niets anders is dan 'de markt', en als 'de markt', zoals Robeco-voorzitter Korteweg in deze krant beweerde, hetzelfde is als 'de mensen' (NRC Handelsblad, 10 juli 1993), en als we aannemen dat hij met dat laatste niet zozeer de mens als zoogdier van vlees en bloed, als wel de mens als bewust kiezend en handelend wezen voor ogen had, dan kan de conclusie niet anders luiden dan dat de economie een optelsom is van menselijke keuzes en handelingen. Hetgeen reeds in de negentiende eeuw werd bewezen door onder meer Karl Marx.

Het neo-liberale denken waarover momenteel zo'n consensus bestaat, is niets anders dan een pre-marxistisch antwoord op post-marxistische problemen. Technologisch staan we al met één been in de 21ste eeuw, maar sociaal gezien keren we in rap tempo terug naar de 19de eeuw.

Wie wil weten waar dat alles toe leidt, hoeft slechts een bezoek te brengen aan de Verenigde Staten. Het is geen toeval dat hedendaagse Amerikaanse 'dirty realism'-auteurs zich schatplichtig tonen aan Charles Dickens. De levensomstandigheden van de Amerikaanse armen vertonen grote gelijkenis met die van het stedelijk proletariaat uit het Engeland van Dickens. Alleen aan de wapens en de drugs waartoe velen hun toevlucht nemen, is te zien dat de 21ste eeuw op aanbreken staat.

Bij de presentatie van de verkiezingsprogramma's van CDA en PvdA is door diverse betrokkenen weersproken dat uitvoering van het voorgestelde beleid in de toekomst zal leiden tot Amerikaanse toestanden. Maar een onderbouwing van die als geruststelling bedoelde woorden ontbreekt; moet ook wel ontbreken, want er bestaat geen principieel verschil meer tussen het denken van de twee regeringspartijen en de economische theorie die bekend is geworden onder de naam 'reaganomics'. De uitgangspunten zijn gelijkluidend: concentratie van de overheid op haar kerntaken; vermindering van overheidsuitgaven op het gebied van sociale zekerheid, onderwijs, gezondheidszorg en openbaar vervoer; vergroting van de economische activiteit door verlaging van de belasting voor bedrijven en de hoogste inkomensgroepen; vermindering van de werkloosheid door verlaging van (met name de laagste) lonen; en dit alles in het vertrouwen dat 'de onzichtbare hand van de markt' de samenleving beter zal reguleren dan de overheid ooit zal kunnen doen.

Om deze politiek maatschappelijk aanvaard te krijgen, wordt niet geschroomd om de slachtoffers van het economisch systeem aan te wijzen als de schuldigen ('blaming the victim'). De grootste fout van werklozen, arbeidsongeschikten en ouderen is immers dat ze bestaan. Tegelijkertijd sluiten de propagandisten van de markt hun ogen voor de maatschappelijke kosten van het door hen gevoerde beleid. De relatie tussen de bezuinigingen op het onderwijs en de stijging van het aantal drop-outs, tussen verhoging van de tarieven voor het openbaar vervoer en de toename van het autoverkeer, tussen onvoldoende gereguleerde economische groei en milieuverontreiniging, die relatie is even evident als miskend.

De kardinale fout die aan dit alles ten grondslag ligt, is dat niet zo zeer het gebrekkig functioneren van de overheid ter discussie wordt gesteld, maar de mogelijkheden en zelfs de legitimiteit van de overheid als zodanig. De rapporten die nu met regelmaat van de klok verschijnen - zoals die van de commissie-Buurmeijer over de sociale zekerheid en van Van der Zwan over de praktijk op de Sociale Diensten - leiden niet tot een wijziging van de rol van de overheid; zij leiden op de eerste plaats tot een vermindering van de rol van de overheid. Politici putten zich uit in beklag over de ineffectiviteit van de overheid in het algemeen en het ambtelijk apparaat in het bijzonder. In die zin vormt de aangedragen neo-liberale 'oplossing' dan ook een rechtstreekse bedreiging voor het democratisch gehalte van onze samenleving. Immers, in de vrije markt geldt niet het principe van one man, one vote, maar dat van one dollar, one vote. Opnieuw vormt de huidige situatie in de Verenigde Staten hiervan het afschrikwekkende bewijs. Het onvermogen en het gebrek aan geloofwaardigheid van de overheid heeft er daar bovendien reeds toe geleid dat bijna de helft van de mensen, vooral uit de arme kant van de samenleving, niet meer gaat stemmen.

Vrijwel alle politieke partijen zijn nu gevallen voor de charmes van de markt; haar ogenschijnlijk grote efficiëntie; haar helderheid en vrij zijn van morele waarden; haar snelheid; haar vermogen mensen tot het uiterste te dwingen. Onvoldoende oog is er echter voor de nadelen. Zeker op de lange termijn. De sociaal-democratie heeft steeds beweerd in staat te zijn de overheid te laten fungeren als schild voor de mensen die het slachtoffer zijn van het vrije spel der maatschappelijke krachten. Des te frappanter is het dat diezelfde sociaal-democraten nu zijn toegetreden tot het kamp van pleitbezorgers voor een terugtredende overheid. In het voorbijgaan hebben ze ook hun wens om te komen tot een verkleining van de inkomensverschillen opgegeven. Het pluche wordt duur betaald!

Voor de SP staat vast dat we de oplossing moeten zoeken in het minder vrij maken van het spel der maatschappelijke krachten en moeten trachten democratische waarden in de economie te introduceren. Ieder mens is in laatste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn leven en geluk. Maar dat ontslaat de overheid niet van de plicht ervoor te zorgen dat iedereen dat geluk met maximale kans op succes kan najagen. Inherent aan de markt is dat zij slechts werkt met prijzen en niet met morele waarden. Voor ethische vragen kun je niet terecht op Beursplein 5. Menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit zijn begrippen die in de kapitalistische economie gelijk staan aan vloeken in de kerk. Nu de sociaal-democratie de rol van de overheid als hoedster van onze gemeenschappelijke waarden heeft opgegeven, heeft zij feitelijk ook haar bestaansrecht verloren. Als we de peilingen mogen geloven, blijkt dat grote delen van de voormalige aanhang van de PvdA diezelfde mening zijn toegedaan. Het debat kan nu weer gaan tussen socialisten en de mensen die de vrije markt als totem in ere willen herstellen.