Voor de scrum is een stevige nek mooi meegenomen

Het Nederlands rugbyteam heeft zaterdag in een harde en rommelige wedstrijd met 31-6 gewonnen van Zweden. Het vijftiental had in de kwalificatiepoule voor het wereldkampioenschap, dat in 1995 in Zuid-Afrika wordt gespeeld, ook Tsjechië en Israel al verslagen. Eind mei 1994 volgen in Italië de laatste kwalificatiewedstrijden. Daar moet Nederland winnen van het sterke Italië en van Tsjechië. Nederland maakte zaterdag tegen Zweden vier try's (Chaudron, Nagtegaal, Stoffels en Van Kolck). Michelsen benutte drie penalty's en een conversie.

AMSTERDAM, 8 NOV. De strakke band om hun hoofd beschermt de oren. De vaseline op hun wenkbrauwen en in hun nek moet het geweld van honderden kilo's spier de juiste kant op laten glijden. De voorwaartsen van het rugby-vijftiental duiken zeker twintig keer per wedstrijd met hun hoofden en schouders op de hoofden en schouders van hun directe tegenstanders, of ze zetten zich klem tussen de heupen van twee medespelers. In de scrum en in het losse werk willen hun oren wel eens in de verdrukking komen. De band moet de kwetsbare uithangsels op zijn plaats houden. De vaseline moet scheurtjes in de huid voorkomen.

“Het lijkt of er weinig gebeurt in de scrum”, zegt George de Vries, prop en aanvoerder van het Nederlands team dat zaterdag met 31-6 van Zweden won. Maar hij zou op geen enkele andere positie willen spelen. “Het is een wedstrijd binnen een wedstrijd, waarbij heel veel techniek komt kijken. Je hebt een directe tegenstander, die je de hele tijd in zijn ogen kijkt. Na afloop zoeken de eerste-rijers elkaar ook altijd even op.” “Een scrum kan gevaarlijk zijn”, zegt Yves Kummer, de Nederlandse hooker. “Als hij instort wordt er van twee kanten tegelijk tegen je aangeduwd en komt je nek klem te zitten. Maar ongelukken zijn zeldzaam.”

Rugby draait om balbezit. Dat wordt in de dode momenten veroverd door de acht voorwaartsen, die spelen met de rugnummers een tot en met acht. Zij staan te wachten bij de 'line-out', de ingooi nadat de bal over de zijlijn is geweest. En ze verzorgen de scrum. Die volgt op een overtreding of wanneer de bal niet snel genoeg uit een kluwen spelers te voorschijn wil komen. Bij balbezit mengen ook de resterende zeven spelers, de 'drie-kwarters' - met rugnummers negen tot en met vijftien - zich in de strijd.

Voor de scrum stellen de acht voorwaartsen zich op in drie rijen. Vooraan de hooker, met links en rechts van hem een prop. De props houden de hooker omhoog, want alleen de hooker mag, als de bal tussen de speler wordt ingebracht, één keer met zijn been vegen om de bal naar achteren te halen. Achter de eerste rij staat een tweetal dat voornamelijk vooruit duwt. De twee hebben met hun buitenste arm tussen de benen van de twee props door het shirt bij de buik van de props vastgepakt. De drie mannen in de derde rij houden de scrum op zijn plaats en zorgen dat het hele zaakje niet teveel gaat draaien. Meer dan negentig graden draaien betekent opnieuw beginnen.

Als de scrum klaar staat, geeft de scheidsrechter het sein dat ze mogen inkomen. Schouders klappen op schouders. De duwwedstrijd begint. Als Nederland de bal mag inbrengen, staat de scrum stevig vast met gestrekte benen, vertelt Kummer. Als Zweden de bal inbrengt, staat de Nederlandse scrum licht door de knieën gebogen. Om even 'uit de knieën' te kunnen komen als de bal de grond raakt. Om de tegenstanders uit balans te brengen en de eigen hooker een kans te geven om de bal af te pakken. Tegen Zweden verliep het uitstekend. Nederland pakte vijf ballen in Zweedse scrums, terwijl in internationaal rugby één bal van de opponent afpakken al een goed resultaat is.

“Het is fysiek de zwaarste positie in het team”, vertelt De Vries. “Je gebruikt je bovenbenen, je rug, je schouders en het is mooi meegenomen als je een stevige nek hebt. Je kunt je tegenstander stuk spelen. Als je ze achteruit weet de duwen, kost hun dat veel kracht. Dan worden ze moe. En zijn ze vervolgens in het losse werk ook wat later bij de bal.”

Wanneer de bal achterin de scrum is beland, komen de scrum-half en de fly-half aan de beurt. Dat tweetal zet de lijnen uit en zet de snelle lopers op de vleugels aan het werk. De voorwaartsen veroveren de bal en binden zo veel mogelijk tegenstanders, de drie-kwarters waaien uit over het veld en proberen een man-meer-situatie te creëren om de achterlijn te halen.

    • Remmelt Otten