Taco Kooistra

Ladder of Escape 6 door Taco Kooistra (Attacca, Babel 9369-1)

De cd-serie Ladder of Escape van Attacca laat musici horen die proberen de grenzen van hun instrument proberen te overschrijden. Maar luisterend naar de zesde cd in de reeks, waarop cellist Taco Kooistra werken speelt van Penderecki, Straesser, Lutoslawski, Kergomard, Lachenmann, Chin en Gehlhaar, vraag je je af wat precies de beperkingen zijn van de cello zelf. Het beeld van de donkerbruine muziek waarin treurigheid en vertroosting hand in hand gaan, komt immers voor rekening van de romantische traditie.

Om de cellist te laten ontsnappen uit de klank van het conventionele repertoire, schreven alle componisten bijzondere speelmanieren voor. Helmut Lachenmann ging daarin het verst in Pression (1968). In dit stuk klinkt slechts één enkele obstinate toon, maar pas nadat de cellist alle denkbare andere geluiden heeft geproduceerd. Kooistra strijkt met zijn vingers over de snaren, drukt zo hard op de strijkstok dat het geluid van een klemmende deur ontstaat of wrijft met zijn hand over het hout van de klankkast.

Penderecki, Straesser en Lutoslawski zochten niet naar onverwachte klanken, maar schaafden en trokken aan het vertrouwde cellogeluid. Dat leverde stukken op die elke cellist volgens Kooistra zou moeten spelen, omdat de afwijkende speeltechnieken ook de interpretatie van het klassieke repertoire ten goede komen. In Kooistra's eigen spel valt de bevlogen precisie op waarmee hij de partituuraanwijzingen omzet in vaak wonderlijke muziek, zoals de lastige bandcompositie Hapsis (1986) van Henri Kergomard en Solipse (1973) van Rolf Gehlhaar. In dit stuk treedt de cello figuurlijk buiten zichzelf; de gespeelde noten worden door een recorder opgenomen en twee seconden later afgespeeld. Het prachtige duet dat hierdoor ontstaat, klinkt alsof de cello danst met zijn eigen schaduw.

    • Peter Peters