Raad van Europa is voor beperking persvrijheid

Overheden, ook in democratische staten, lijken zich in toenemende mate bezig te houden met de vraag of 'de' journalistiek haar taak wel adequaat vervult. De bizarre opmerking van de nieuwe president van de Amsterdamse rechtbank, mr. R. Gisolf, was daar een uiting van toen hij zei dat een geïnterviewde die zegt dat hij verkeerd is geciteerd, altijd gelijk heeft. De Nederlandse Mediaraad houdt zich, blijkens een recent symposium, bezig met de vraag of onafhankelijke informatie wel voor voldoende mensen beschikbaar komt. En in het verlengde daarvan komt dan de gedachte op dat, als er sprake is van een te geringe bereikbaarheid, de overheid een taak heeft om daaraan iets te doen.

Het is niet ongevaarlijk dat de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa degenen die zich geroepen voelen de pers voorschriften te geven, krachtig aanmoedigt. Ook in het Europees Parlement bestaat een dergelijke neiging maar die is, anders dan in de Raad van Europa, nog niet uitgekristalliseerd in een resolutie en een aanbeveling. De resolutie van de Raad van Europa, afgelopen zomer aanvaard zonder veel aandacht te trekken, begint met het intrappen van open deuren, zoals de in journalistieke kring algemeen aanvaarde regel dat nieuws en opinie goed behoren te zijn gescheiden en goed te onderscheiden moeten zijn.

Maar dan wordt er boud beweerd dat “opinies die de vorm aannemen van commentaar op gebeurtenissen of acties, betrekking hebbend op individuen of instellingen, niet behoren te proberen de realiteit van feiten of data te ontkennen of te verbergen.” Een onhanteerbaar criterium voor wat in de Angelsaksische praktijk fair comment wordt genoemd.

De resolutie spreekt ook acceptabele stellingen uit, zoals de gedachte dat publieke functionarissen niet moeten denken dat zij eigenaar zijn van de informatie. En dat de eigendom van nieuwsorganisaties transparant behoort te wezen. Of dat vrijheid binnen de media evenzeer moet worden beschermd en er moet worden gewaakt tegen druk van binnenuit.

Maar daar ook wordt gesteld dat de media “noch de kwaliteit, noch de inhoud van nieuws of opinies mogen gebruiken voor het opvoeren van hun lezers-, kijkers- of luisteraarspubliek”. Dat klinkt misschien aanvaardbaar, maar het is in strijd met het streven van nieuwsmedia de kwalitatieve behandeling van nieuws en opinie zodanig te doen zijn dat zoveel mogelijk mensen er kennis van willen nemen. Het hoogste doel van de journalist is immers te worden gehoord. Vermoedelijk is hier iets heel anders bedoeld dan er in deze veel te ruime formulering staat; dat is dan een voor de persvrijheid gevaarlijke soort slordigheid.

In feite gaat het echter zeker niet om slordigheden, maar duidelijk om een beperking van journalistieke rechten en vrijheden. Zo wordt gepostuleerd dat journalisten waarheidsgetrouwe, onpartijdige informatie niet behoren te veranderen of te exploiteren voor mediadoeleinden - weer een waarheid waarmee weinig journalisten moeite zullen hebben. Maar als gevolgtrekking daarvan wordt dan weer iets ongrijpbaar bedreigends geformuleerd, namelijk dat “wettige onderzoeksjournalistiek wordt beperkt door de waarheidsgetrouwheid en de eerlijkheid van informatie en opinies en dat die onverenigbaar is met journalistieke campagnes die worden gevoerd op basis van tevoren ingenomen standpunten of speciale belangen”.

Dat zou dus een journalistieke campagne om het misbruik van sociale uitkeringen of woonsubsidies aan het licht te brengen (een tevoren ingenomen standpunt) als onacceptabel bestempelen. Het zal nu niemand meer verbazen dat er ook een blanco volmacht wordt gevraagd voor iedere persoon die van mening is dat een nieuwsfeit of een opinie vals of foutief is (false or erroneous) correctie kan eisen “automatisch en spoedig”. Daar wordt nog aan toegevoegd: “Nationale wetgeving behoort te voorzien in passende sancties en, waar van toepassing, schadevergoeding.”

Ook moet volgens de resolutie van journalisten worden verlangd dat zij een passende professionele training hebben ondergaan. In de journalistiek is de wenselijkheid daarvan al lang aanvaard. Maar het gevaar van een voorschrift terzake dat door de overheid wordt gehanteerd is, dat het journalisitieke beroep aan een vergunningenstelsel wordt onderworpen. En de praktijk in landen als Egypte, Nigeria, Singapore en nog vele andere half- of helemaal autoritair geregeerde landen is, dat die vergunningen aan kritische journalisten niet worden verleend of worden ingetrokken als die zich niet gedragen in overeenstemming met wat de overheid van hen verlangt.

Nu zijn de resoluties van de Raad van Europa - gelukkig - niet bindend, al is er in de loop van de jaren wel een redelijk sterke morele druk van uitgegaan. Die morele druk wordt nu uitgeoefend in de vorm van een aanbeveling van dezelfde Parlementaire Assemblee, waarin aan het comité van ministers wordt gevraagd de regeringen van de lidstaten te verzoeken erop toe te zien dat wetgeving effectief de organisatie garandeert van de openbare media “op zodanige wijze dat de neutraliteit van informatie, de pluraliteit van meningen en de evenwichtigheid van man-vrouwverhoudingen wordt verzekerd evenals een recht van weerwoord voor ieder individu dat onderwerp is geweest van een beschuldiging”.

De Raad van Europa verzoekt de regeringen erop toe te zien dat er een verklaring over de ethiek van de journalistiek komt langs de lijnen van de bovengenoemde Resolutie 1003.

Het is roekeloos te denken dat het 'bij ons wel niet zo'n vaart zal lopen'. De neiging om 'die brutale journalisten' nu maar eens aan banden te leggen, bestaat - zie het geval-Gisolf - ook hier. En als andere Europese landen, waar die neiging nog wat sterker is ontwikkeld, denk aan Engeland en Frankrijk, eenmaal uitvoering geven aan de resolutie en de aanbeveling van de Raad van Europa, zal er zeker druk worden geoefend op de Nederlandse regering om te volgen.