LAATBLOEIER VOELT ZICH IN CAFÉ THUIS

Biljarters moet je in een café laten spelen, niet in een sporthal. De mening van kunststoter Jan Brunnekreef is bekend. Een sportieve laatbloeier, die in het sfeervolle café De Zwaan in Grubbenvorst niet met de besten meekon. De strijd om de wereldtitel ging aan de drievoudig Nederlands kampioen voorbij. Een gesjeesde biljarter of een begenadigd kunstenaar?

De karikatuur blijkt een doodgewone man. Aan de bar zit een rustige vijftiger te kletsen met andere biljartliefhebbers. Geen bierton, geen flauwe grappen. Hij drinkt een glaasje mineraalwater, de voormalige kastelein uit Goor. Kijkt even later met een half oog naar de verrichtingen van de twee finalisten Ahrens en Fonellosa. De Spanjaard wint in vier sets. De Duitser stelt zijn vele landgenoten in Grubbenvorst maar even teleur. De universele feestvreugde overschaduwt het verlies van een jong talent. 'Dat bedoel ik nu', lijkt Jan Brunnekreef duidelijk te willen maken. Geen onderlinge vetes, geen grote sommen geld. De kunststoters biljarten nog voor hun lol.

De 58-jarige Brunnekreef wordt slechts twaalfde bij de wereldtitelstrijd. Niet slecht voor zo'n oudgediende, wel teleurstellend voor een nationaal kampioen die in 1989 nog 's werelds derde kunststoter was. Nederland is een grote biljartnatie en had in Jean Bessems ook een wereldtopper bij het kunststoten. De Limburger is inmiddels gestopt, zijn boezemvriend Brunnekreef mist de eeuwige rivaal. “Vooral met kaarten. Dat ging aardig gelijk op. We speelden altijd en overal, altijd om geld. Voor een belangrijke finale stond hij om half tien 's ochtends op de stoep van mijn hotel. Voor een potje rummie. 's Middags ging het er dan nog fanatieker aan toe.” Ex-bandstoter Bessems leek lange tijd superieur, tot die ene zondag in 1989. Toen won de voormalige, middelmatige driebander Brunnekreef. Een 53-jarige die voor het eerst de titel pakt.

“Het was wel mooi natuurlijk, maar deed ook een beetje pijn. Ik had liever een ander verslagen. Vreemd misschien, want wat heeft hij me vaak de oren gewassen. Jean was de betere biljarter, maar het verschil werd steeds kleiner. Altijd het mes op tafel en toch honderd procent sportief.” Zijn hoogtepunt was de dag na die finale. De huldiging op zichzelf was al prachtig, de aanwezigheid van Bessems des te mooier. “Die kwam uit Zuid-Limburg met zijn familie en met zijn supporters naar Goor om mij te feliciteren. Dat is zeker een afstand van 250 kilometer. Ik had hem net onttroond en dan zo'n reactie. Schitterend toch?”

Brunnekreef bewonderde Bessems, maar had in de Fransman Corin zijn grote voorbeeld. “Steylaerts speelde fraai, Corin was nog ietsje sjieker. Ik was van nature meer een houwdegen. Toen heb ik er een jaar voor uitgetrokken om Corin zo dicht mogelijk te benaderen. Echt copiëren lukt natuurlijk nooit.” Hij legt het verschil uit tussen een gewoon punt en een bijzonder punt. De ene bal is gewoon charmanter gespeeld. “Koeman kan de bal heel hard in de kruising jagen, maar van dat boogballetje tegen Engeland word je pas stil.” De vergelijking met de van origine lompe voetballer wordt ietsje duidelijker. Aangeleerde souplesse. Geen geboren biljarter, maar een aangeleerde. “Ik neem nog altijd heel veel tijd voor een stoot. Fixeer me helemaal op de tweede bal.”

Brunnekreef is een groot voetballiefhebber. Schreef onlangs nog een nieuw clublied voor FC Twente. Was zelf keeper in de vierde klasse van de landelijke amateurafdeling. Geen verfijnde kadrist op het groene gras. “Ik begon pas serieus te biljarten toen ik stopte met voetbal. Toen was ik al 42. Veel voetballers kunnen goed biljarten en andersom ook. Voor het driebanden heb ik nooit serieus getraind. Kwam dan ook niet verder dan de hoofdklasse, zeg maar de tweede divisie.” Als caféhouder had hij de mogelijkheid het billard artistique snel onder de knie te krijgen. 68 figuren door en door berekenen, is dat nog artistiek? Zijn kunststoters niet gewoon gesjeesde biljarters? Mislukte bandstoters of driebanders? Jan Brunnekreef neemt het op voor zijn grote liefde, zijn uit de hand gelopen hobby. “Rini van Bracht presteerde niet veel met kunststoten. En hij is toch wereldkampioen driebanden geweest. Het moet allemaal nog perfecter bij kunststoten. Heb je een figuur goed onder de knie, dan wil dat niet zeggen dat je nooit meer mist. Soms lukt het na een poosje ineens niet meer. Bovendien veranderen de figuren ook in de loop der jaren.”

Bessems afscheid ging niet voor niets samen met het omstreden set- en knock-outsysteem. Het geluk ging een te grote rol spelen, vond Nederlands eerste wereldkampioen. Brunnekreef deelde die mening, maar lijkt nu content met de nieuwe regels. “Het niveau is veel hoger geworden door het setsysteem. Vroeger had je twee explosies en zat je vervolgens weer een kwartier aan de kant. Nu speel je in een roes.” Nu de echte knock-outregel weer is bijgesteld en de verliezer een paar herkansingen krijgt, kan ook Brunnekreef leven met het setsysteem. “Voor de kijker is het een stuk spannender geworden. En daar gaat het toch om.”

De vergelijking met het profcircuit van de driebanders dringt zich op. De gele bal, het blauwe laken, de kolderieke vestjes met sponsornamen op het overhemd. De oude biljartsfeer is ver te zoeken in de veel te grote sporthallen. De driebanders zelf hebben niets te klagen. Ze verdienen veel geld, in tegenstelling tot de kunststoters. “Bij ons was ook even sprake van een profcompetitie. Maar dan je heb je wel zo'n type als Bayer nodig.” Brunnekreef zegt niet jaloers te zijn op de rijke collega's. In ruil voor het grote geld heeft hij plezier, een heel vriendschappelijke sfeer.

De spelers onderscheiden zich in nationaliteit, niet in kliekjes. Zo traint de Nederlandse titelhouder een groep Duitse kunststoters in Bochum. Ook de finalist Ahrens heeft Brunnekreef gevraagd om enige privélessen. “Ik zei nog, 'wat kun jij van me leren'. Toch heeft hij gelijk. Zeker op het mentale vlak moet de jeugd zich nog bewijzen. Op mijn leeftijd ben je fysiek kwetsbaar. Je kunt het lichamelijk niet meer zo goed opbrengen. Dat is normaal, zo hoort het ook.”

“Ik was er het laatste jaar heel beroerd aan toe. Last van m'n hart. Daarom speelde ik maar een paar toernooitjes tot nu toe. De dokter heeft het liefst dat ik meespeel. Ik ben blij dat ik nog kan biljarten. Vind ook dat ik wat moet terug doen. De jeugd helpen. Of dat nu om een Nederlander, een Belg of een Duitser gaat, dat interesseert me helemaal niks.” Jan Brunnekreef als pleitbezorger voor de open grenzen.

Hij drinkt geen druppel alcohol, nooit gedaan zelfs. Ondanks alle geruchten toen hij alsmaar dikker werd. Zijn schildklier bleek niet goed te functioneren. Inmiddels is hij ruim 25 kilo afgevallen. “Ik weet ook niet hoe ik aan dat imago van losbol kom. Zo van 'als die bolle komt hou dan je hart maar vast'. Ik ben juist helemaal niet zo'n uitbundig iemand.” Zijn vrouw schreeuwt hem iets toe in het bomvolle café. Het is die biljartsfeer, die Brunnekreef voor geen goud wil missen. “Ik ben zo'n losbol dat ik al 36 jaar gelukkig getrouwd ben.”

    • Jaap Bloembergen