Help

Vannacht heb ik weer eens geen oog dicht kunnen doen. Soms, als ik geluk heb, kan ik in één ruk doorslapen, maar o wee als het tegenzit, dan ben ik mooi in de aap gelogeerd. Schreeuwen en tieren voor mijn deur. Keiharde, meest onverstaanbare discussies. Ruzies. Gegil. Gesmijt met flessen. Het leegschudden van vuilniszakken. Het over de breedte van de hele straat uitstrooien van afval. Soms ga ik in mijn wanhoop naar beneden en bel de politie op de Nieuwmarkt, maar eer die paraat is zijn ze alweer alle kanten op gehaast. Altijd gehaast. Altijd gekrijs, gegil en geschreeuw. Dag en nacht. Vannacht ging het om een fiets. Met z'n vijven werd er aan getrokken. Vechten. Soms sta ik op mijn balkon en roep dat ze weg moeten. Het is koud. Ik ben dan klaar wakker en zo kwaad, omdat ik weet dat het niet helpt en ik door al dat gedoe en de opwinding voorlopig helemaal geen oog meer dichtdoe.

Junks, junks en nog eens junks bepalen het leven in de Nieuwmarktbuurt waar ik woon. Junks. Toen ik hier een jaar of tien geleden in de gruwelnieuwbouw van Theo Bosch kwam wonen op een van de mooiste plekken van Amsterdam, speelde de scene zich elders af. Maar allengs verspreidden ze zich steeds meer richting Antoniebreestraat en Jodenbreestraat. Er werden voor de ingangen van de woningen aan de binnenplaats van het Pentagon hekken geplaatst. Ik heb een achterterras, ook daar kwam een hek voor te staan. De hekken functioneerden niet. Ze veroorzaakten geluidshinder. Bijna een half jaar hebben we in een heksenketel van getimmer, gedrilboor gezeten, omdat er andere, preventievere toegangsdeuren moesten worden aangebracht. Toen zat ik helemaal mooi. 's Nachts de veroorzakers van de hel van overdag. Kots, stank en vuil. Ze staan in portieken op klaarlichte dag te snuiven en te coken. Het is een bijna vertrouwd straatbeeld geworden, de armzalige verdoemden voort te zien strompelen. Jongens van amper twintig jaar op krukken. Vaak barrevoets. Nee, ik overdrijf niet. Het is veel erger. Naalden worden in de vijver van de befaamde 'waterval' op het Zuiderkerk gegooid. Kinderen spelen bij dat water. Op het binnenplein van het Pentagon staat een bordje met een poepende hond. Ervan afgezien dat dat bord door de meeste hondebezitters wordt genegeerd, zou ik de gemeentereinigingsdienst willen adviseren een bord te plaatsen om de argeloze ouders, die hun kindertjes uitlaten op de kleurige speeltjes die er zijn opgesteld, te waarschuwen voor de aidsnaalden die de junks hier neergooien!

Nu het herfst is en het binnenplein vol bladeren ligt waarmee de kinderen graag spelen, is het levens- echt levensgevaarlijk ze zonder een grondige inspectie te laten ravotten. Mijn buren die met mij het achterterras delen, kijken eerst of alles naaldvrij is. De Zandstraat werd een tijd geleden opnieuw bestraat. Op hun knieën lagen de straatmakers in het zand. Toen er een rode naald werd gevonden, weigerden alle werklui nog een steen aan te raken. Eerst moest er nieuw, schoon, veilig zand worden gestort.

Van de zomer zat ik hier te werken. Op het binnenplein, op de trap, half tegen de muur geleund lag een jongen uitgestrekt. Geen beweging. Na een minuut of tien werd ik nerveus. Ik ga er naar toe. Uit niets is op te merken of hij überhaupt nog in leven is. Lieve deugd. Ik duw voorzichtig tegen hem aan. Niks. Ik bel de GGD. Die meneer zegt: “Leeft die man nog? Heeft u de dood kunnen constateren?” Ik antwoord dat ik toch geen medicus ben. Ik ben maar een arme schilderende schrijver zonder diploma's. Ik heb niet eens een stethoscoop. “Ja”, zegt die meneer, “wij kunnen natuurlijk niet voor elk wissewasje met de auto komen uitrukken. De stad is al vol drukte op dat gebied. Ja, het komt er op neer dat het heel, echt ernstig moet zijn, zo'n beetje tegen de dood aan eigenlijk. Dan willen we wel komen. Wacht u nog maar even rustig af. Misschien trekt hij bij en in het andere geval belt u maar weer eens.” Een uur later kwamen ze en werd hij op een brancard weggevoerd. Zou hij toen echt dood geweest zijn, die arme jongen, die toch ook een vader en moeder heeft? Vanmorgen vroeg een meisje van nog geen vijftien jaar of ik haar aan een gulden kon helpen. Ze wilde ook wel met me meegaan. Ze wilde alles voor me doen als ik haar aan een gulden zou helpen. Ik zei, schat, ik kán je niet helpen. Echt niet. Wie zou ons kúnnen helpen?

    • Jean-Paul Franssens