E. du Perron en het toeval

94 jaar geleden werd de schrijver E. du Perron geboren. Gedenk hem. Mijn gemijmer over zulk een hartverwarmend betoon van postume loyaliteit zoals dat vorige week in een advertentie in een paar kranten stond, werd verstoord doordat de postbode het Jaarboek Letterkundig Museum op de mat liet ploffen. Traditiegetrouw bevat het Jaarboek lezenswaardige artikelen, veelal geschreven op basis van in het museum aanwezige documenten. Vorig jaar maakte de redactie goede sier met een niet eerder gepubliceerde lezing van F. Bordewijk over Louis Couperus, die kort daarvoor in het Haagse Gemeentearchief was gevonden. Deze keer biedt het jaarboek een trouvaille die de anonieme plaatser van de ingezonden mededeling deugd zal doen, namelijk vier onbekende brieven van E. du Perron.

Het zijn niet de meest opzienbarende voorbeelden uit Du Perrons epistolair oeuvre. Bovendien waren al 4.336 brieven van hem bekend die tussen 1977 en 1990 in negen dundrukdelen bij Uitgeverij G.A. van Oorschot verschenen en voorzover ze aan zijn vriend Menno ter Braak gericht waren, in nog eens vier dikke boekdelen die in 1962 zijn uitgegeven. Eén brief is aan Arthur van Schendel geadresseerd, twee aan de criticus N.A. Donkersloot en eentje aan uitgeversmaatschappij Van Loghum Slaterus. Conservator Theo Bijvoet heeft ze keurig geannoteerd en aan de brieveneditie gekoppeld. De eerste brief aan Donkersloot is daarom met 4.337 genummerd maar dient gelezen te worden na gepubliceerde brief 300.

Het korte briefje aan Van Loghum Slaterus is van het meeste literair-historische belang. Deze uitgeverij produceerde namelijk een nieuwe druk van Dirk Costers Nieuwe Geluiden, de poëziebloemlezing die door Du Perron werd gekenschetst als het resultaat van een halfzachte humanistische literatuuropvatting. 'De zielige kamer-ethicus' Coster werd in Du Perrons correspondentie een monument van zalvende dikdoenerigheid. Zijn stroperige artikelen in het tijdschrift De Stem dienden voor Du Perron als schietschijf om zich te oefenen in wat hij noemde 'le bon genre' van de essayistiek.

Via Du Perrons uitgever vroeg Coster of Du Perron toestemming gaf voor opname van zijn gedicht 'Gebed bij de Harde Dood' in Nieuwe Geluiden. “Gistoux, 19 april 1932. Mijne Heeren, Van mijn uitgever Stols verneem ik dat de heer Dirk Coster mijn Gebed bij de H. Dood in de 4e druk van zijn bloemlezing wenscht op te nemen. Soit! maar als ik één voorwaarde mag stellen, zoudt u den heer Coster willen vragen om het niet àl te afgrondig te laten opkermen, noch het doodszweet bij bakken te doen stroomen, indien hij zich verplicht waant het in zijn voorrede van een min of meer prijzend commentaar te voorzien. Met beleefden groet, uw dw. Eduperron.”

Op dezelfde dag, zo blijkt uit deel drie van Brieven, schreef Du Perron aan Hendrik Marsman “Coster vraagt via Van Loghum en Stols mijn Harde Dood voor de 4e druk van zijn Nieuwe Geluiden. Doen??” Du Perron heeft het antwoord op deze vraag niet afgewacht, zo weten we nu. Hij eindigde zijn brief al bijna met een antwoord door te schrijven: “Ik 'haat' hem niet meer! And yet...” Drie maanden later begon hij in Forum zijn artikelenreeks 'Uren met Dirk Coster'. De inleiding liet aan duidelijkheid niets te wensen over: “Voor dit nauwkeurig onderzoek dat ik heb ingesteld: alsof men de heer Coster niet zou kennen na enkele bladzijden, alsof het gezegde le style c'est l'homme een absurditeit was geworden, alsof, om een voorbeeld buiten de literatuur te geven, het volstrekt nodig ware de erotiese kwaliteiten van een vrouw nader te onderzoeken, wier adem ons reeds hield op de meest eerbiedige afstand.”

Coster schreef in zijn voorrede niet over Du Perron. Wel nam hij op dwingend advies van N.A. Donkersloot Harde Dood in de bloemlezing op. Aan zijn uitgever schreef hij echter op 27 april: “Wat valt die Perron toch weer tegen.” De directeur van Van Loghum Slaterus - bang voor kostbare wijzigingen in het zetsel van zijn nieuwe uitgave - antwoordde: “Aan Du Perron is niets meer te veranderen. Ik vroeg hem via Stols om toestemming, omdat hij de enige nieuwe is, van wie meer dan 50 regels worden opgenomen en van wie misschien moeilijkheden te duchten zouden zijn.”

Behalve vondsten en artikelen bevat het Jaarboek het jaarverslag waarin de schenkingen en bruiklenen uit het jaar 1992 gereleveerd worden. Opzienbarend is de schenking van De Schone Zakdoek, het surrealistisch tijdschrift in 23 afleveringen dat Theo van Baaren en Gertrude Pape tijdens de Tweede Wereldoorlog in een oplage van één exemplaar uitgaven. Het surrealisme hangt van toevalligheden aan elkaar. Of het toeval is dat Nederland pas een surrealistisch tijdschrift kreeg na de dood van Du Perron in 1940, weet ik niet. Enkele medewerkers van De Schone Zakdoek waren onvervalste Du Perrongedenkers terwijl de meester zelf zich tegen het surrealisme had uitgesproken.

De ontroerende oproep om Du Perron te gedenken verscheen een dag nadat bekend werd dat Adriaan Venema een einde aan zijn leven had gemaakt. Is het toeval dat Venema een romantische hang - à la het fair play-gevoel van het ouderwetse jongensboek - naar de principiële stellingname had, zoals Du Perron die tentoonspreidde toen hij vlak voor zijn dood op 14 mei 1940 het restant van de boekuitgave van Uren met Dirk Coster vernietigde? Hij ging tot die sportieve daad over omdat zijn oude vijand plotseling medestander was geworden in zijn weerzin tegen Anton Mussert en diens collaboratie. Ter Braak pleegde vanwege diezelfde weerzin op Du Perrons sterfdag zelfmoord. “Een zelfmoord is verzekerd tot de keus van 't wapen”, schreef Du Perron in Gebed bij de Harde Dood. We moeten Coster nageven dat hij niet over het lijk van zijn opponent alsnog zijn gram haalde. Hij was het met Du Perron eens dat het niet tot le bon genre van de essayistiek behoort een slachtoffer te kiezen dat niet meer kan terugmeppen. Alléén als het surrealisme van De Schone Zakdoek werkelijkheid was geworden, zodat Adriaan Venema bij leven en welzijn het jakhalzenproza over zijn zelfgekozen dood had kunnen lezen, zou hij hebben gezegd: Dit is te billijken want daar word ik groot en sterk van.