De Tweede Kamer oordeelt over het GAK

“De wetgever heeft nooit nadrukkelijk gesteld dat bedrijfsverenigingen een volumebeleid moeten voeren”, aldus prof. Wil Fase, voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad, het orgaan dat toezicht houdt op bedrijfsverenigingen en GAK.

Volgende week bespreekt de Tweede Kamer het verslag van de Enquêtecommissie naar de uitvoering van de sociale zekerheid (Commissie Buurmeijer). Volgens de huidige planning sluit de Kamer het debat met het kabinet af op donderdag 18 november. Als prof. Fase een honorabel man is dan verstuurt hij op vrijdag 19 november zijn ontslagbrief. Als prof. E. de Jong (president GAK, jaarsalaris opgebracht uit sociale premies ƒ 280.000,-) een honorabel man is, dan biedt ook hij op diezelfde datum ontslag aan. En als de directeuren van de vijf slechte bedrijfsverenigingen en hun bestuursleden uit de kring van de sociale partners honorabele lieden zijn, dan houden zij op vrijdag 19 november ook de eer aan zichzelf, want het ziet er naar uit dat de Tweede Kamer zich unaniem zal aansluiten bij de historische analyse in het rapport van de Commissie Buurmeijer.

Dan staat het op 18 november definitief vast dat jarenlang een wanbeleid is gevoerd dat Nederland miljarden guldens heeft gekost. De sociale premies die daarvoor nodig waren, kwamen volgens een conservatieve schatting 8 miljard gulden per jaar hoger uit dan bij een betere uitvoering van ziektewet en WAO. Daarbij komt nog 1 miljard verspilling door extravagante salarissen bij het GAK. Het Centraal Planbureau heeft uitgerekend welke prijs aan verwoeste werkgelegenheid Nederland heeft betaald doordat de sociale premies jarenlang 9 miljard gulden te hoog zijn geweest, een gevolg van het wanbeleid bij GAK en bedrijfsverenigingen. De uitkomst: meer dan tweehonderdduizend mensen zouden nu kunnen werken als GAK en bedrijfsverenigingen in de jaren tachtig de bestaande wetten beter hadden uitgevoerd.

Fase, De Jong en hun collega-bestuurders zijn rechtstreeks verantwoordelijk voor deze schade aan de nationale economie, en evenzeer voor wat hun wanbeleid heeft aangericht bij tal van zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Schrijnende cijfers daarover zijn te vinden in de grote enquêtes van het landelijk samenwerkingsverband van arbeidsongeschiktenorganisaties. Slechts 32 procent van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten heeft ooit ander werk aangeboden gekregen om weer uit de WAO te komen, en dat kwam dan nog bijna altijd van de oude werkgever of van de GMD; bijna nooit via bedrijfsvereniging of het gewestelijk arbeidsbureau. 45% van de ondervraagde vrouwelijke WAO'ers is ontevreden over de behandeling door de mannen van de bedrijfsvereniging. Het enquêteverslag van de WAO-platforms citeert een vertegenwoordiger van een bedrijfsvereniging: “vrouwen werken toch alleen maar voor de luxe” (Zuid-Holland 1983).

Op ongeveer alle punten schoten de bedrijfsverenigingen te kort. De grote enquête onder WAO'ers constateerde: (1) de voorlichting over arbeidsbemiddeling is beneden de maat; (2) de criteria voor het toetsen van vrijwilligerswerk zijn onduidelijk; (3) artikelen in de wet die een zekere bescherming bieden van oude uitkeringsrechten wanneer WAO'ers het weer gaan proberen op de arbeidsmarkt zouden meer toegepast moeten worden (geen wonder dat de vakbeweging die zo medeverantwoordelijk is voor het debâcle van de uitvoering van ziektewet en WAO altijd heeft geweigerd om de WAO-platforms te erkennen als een spreekbuis van de arbeidsongeschikten zelf).

Dat is allemaal al heel erg, maar daarbij komt nog dat de aangeklaagden zich op brutale wijze verdedigen. Op 24 mei van dit jaar zei Fase, op een vraag van Kamerlid Ybema (D66): “Als op de bedrijfsverenigingen door de wetgever niet uitdrukkelijk een taak wordt gelegd op het gebied van het volumebeleid, wat moet je dan als toezichthouder om die uitvoeringsorganen op dat volumebeleid aan te spreken? Daar heb je toch voor nodig dat de wetgever heel nadrukkelijk stelt dat bedrijfsverenigingen een volumebeleid moeten voeren.”... “Als wij nu kijken naar de wetgeving die thans nog in het wetgevingstraject zit, komen we eigenlijk nu pas in een situatie terecht waarbij de uitvoeringsorganen zo worden geïnstrumenteerd... dat ook de bedrijfsverenigingen een bijdrage leveren aan het terugdringen van de arbeidsongeschiktheid.”

Is dit niet ongelooflijk? Was het niet vice-premier Kok die in de voor alle WAO'ers zo dramatische zomer van 1991 verklaarde: “als je de oever van de volumebeperkingen echt tot op de laatste vierkante centimeter hebt verkend, kun je pas de brug overgaan naar de andere oever: de oever van de prijsmaatregelen” (de Volkskrant, woensdag 17 juli 1991). Waren het niet minister De Vries en staatssecretaris Ter Veld die in september 1991 de nota Sociale Zekerheid begonnen met een heel hoofdstuk over het volumebeleid en tevreden verklaarden: “ook in de jaren tachtig is met grote beleidsinspanningen getracht de uitstroom uit de sociale zekerheid richting arbeidsmarkt te bevorderen van degenen van wie redelijkerwijs actieve participatie op de arbeidsmarkt kon worden verwacht” (p. 11). En ik citeer uit een willekeurig jaarverslag van één van de vijf slechte bedrijfsverenigingen: “De bedrijfsverenigingen zijn in staat om een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de terugdringing van het volume” (jaarverslag BVG 1990, p. 6).

En tenslotte is er gewoon de wet. Artikel 24 van de WAO geeft de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid om “voorschriften te geven in het belang van een behandeling of tot behoud van, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij het orgaan der openbare arbeidsbemiddeling”. Artikelen 25, 28 en 29 van de WAO gaan over opleiding en scholing van gedeeltelijk arbeidsongeschikte mensen en geven de bedrijfsverenigingen bevoegdheden op dat gebied, inclusief de mogelijkheid om zo nodig sancties op te leggen wanneer een WAO'er geen belangstelling toont voor scholing of voor aangepast werk. Dat was de tekst van de wet in de periode waarover nu de Parlementaire Enquête Commissie haar vernietigend oordeel heeft gegeven.

Wat Fase beweert is absurd. De eerste die dat in deze krant overtuigend documenteerde was redacteur Kees Caljé in een voortreffelijk interview op 1 april 1992. Fase toen: “er is beslist geen aanleiding voor politici om het functioneren van uitvoeringsorganisaties te onderzoeken”. (Caljé was met Willem Velema een van de top-journalisten op het gebied van de sociale zekerheid. We missen zijn geduld en deskundigheid.)

Is het echt zo belangrijk dat Fase, De Jong c.s. op 19 november hun ontslag aanbieden? Ik meen van wel, omdat de bestuurskunde leert dat wanneer een organisatie op grote schaal en systematisch faalt, een katharsis aan de top noodzakelijk is. Bovendien, wanneer Fase er van afkomt met zijn verdediging: “Regering en parlement hebben ons nooit opgedragen om volumebeleid te voeren”, dan kunnen we in Nederland wel ophouden met elkaar over sociaal economisch beleid te praten, want dan hebben woorden hun normale betekenis verloren.

Uiteraard is het belangrijkste doel van het Kamerdebat het trekken van lessen voor de toekomst van ziektewet en WAO. Dan gaat het vooral om het verstandig toepassen van een paar elementaire principes uit de verzekeringseconomie zoals eigen risico, premiedifferentiatie, en om beëindiging van de gedwongen winkelnering in de sociale verzekeringen. Die nieuwe koers vereist een voor iedereen zichtbare breuk met het wanbeleid uit de jaren tachtig. Fase, De Jong en hun mede-bestuurders kunnen en mogen dat niet meer meemaken.

    • E.J. Bomhoff