Audi regisseert Monteverdi's L'Incoronazione di Poppea; Nero's decadentie verbeeld met travestie over en weer

Voorstelling: L'Incoronazione di Poppea van C. Monteverdi door de Nederlandse Opera en Les Talens Lyriques o.l.v. Christophe Rousset m.m.v. o.a. Cynthia Haymon, Brigitte Baleys, Ning Liang, Michael Chance, Carlo Colombara, Heidi Grant Murphy, Dominique Visse en Elena Vink. Decor: Michael Simon, kostuums: Emi Wada; regie: Pierre Audi. Gezien: 7/11 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 10, 14, 16, 1 9, 22, 25, 28, 30/11 (alle uitverkocht). Radio: NOS 27/11 (opname 25/11).

Drie jaar na de opzienbarende première van Il ritorno di Ulisse in patria bij de Nederlandse Opera werkt artistiek leider en regisseur Pierre Audi met L'Incoronazione di Poppea verder aan een Monteverdi-cyclus, die in mei 1995 zal worden afgesloten met L'Orfeo. Daarna wordt de cyclus herhaald, zij het niet aaneengesloten, want de Nederlandse Opera komt dan ook met zijn eerste produktie van Wagners Der Ring des Nibelungen.

De nieuwe vier uur durende produktie van L'Incoronazione di Poppea, die gisteravond met groot publiek succes in het Amsterdamse Muziektheater in première ging, is een onderdeel van de herdenking van de 350ste sterfdag van Monteverdi. Op 27 november zenden radiostations in 26 landen een twee dagen eerder in Amsterdam live gemaakte opname uit. Deze zomer maakt de NOS-tv een opname voor uitzending in de komende herfst.

De enscenering van Pierre Audi is zijn achtste en als gevolg van enige dubbelprodukties is dit in Amsterdam in drie jaar al de elfde opera die hij regisseert. De voorstelling voltrekt zich vrijwel geheel langs de sobere lijnen die we inmiddels erg goed kennen. Niettemin is er in de wijze van casting toch een nieuw element te ontdekken.

De drie actes van het verhaal over de verstoting van keizer Nero's echtgenote Ottavia en de kroning van zijn nieuwe gade Poppea, vinden plaats in decors, die niet zoals vaak eerder bestaan uit hergebruikte oude elementen maar nietemin vertrouwd aandoen. Schuine en gebogen wanden, aangevuld met nu eens een zuil, dan een houten balk. Verder niets dan de bij Audi gebruikelijke oerelementen aarde (rotsblokken, een globe), vuur (enige spectaculaire effecten) en water - dat laatste heeft zijn sporen nagelaten op een roestige heuvel.

De kostumering door de Japanse Emi Wada, is gevarieerd: soms quasi-Japans, soms exuberant feestelijk, soms geïnspireerd op de grof geweven primitieve kledij in Pasolini's films Medea en Edipo Re. De boodschap lijkt duidelijk: dit is een mythisch verhaal van alle tijden en alle culturen. Wel is het merkwaardig dat door het volledig ontbreken van klassieke Romeinse kostuums het kennelijk juist géén verhaal is over de toestanden in het decadente Romeinse rijk ten tijde van Nero.

De personages bewegen zich in een enorme lege ruimte, die nog werd vergroot door rijen stoelen weg te halen. Het boven de orkestbak uitgebouwde podium steekt met een paar punten de zaal in en omarmt ook de vijftien leden van het orkest Les Talens Lyriques, onder leiding van de jonge Franse klavecinist Christophe Rousset, die zijn opleiding kreeg aan het Haagse Koninklijk Conservatorium.

Het theater moet zijn kracht ontlenen aan de typering van de personages, de uitbeelding van hun gevoelens met beweging en gebaar, met zang en muziek. Uit de casting blijkt - anders dan vroeger - een begin van conceptuele en dramaturgische benadering. De rollen van de twee voedsters worden gezongen door mannen (Jean-Paul Fouchécourt en Dominique Visse), die er rare typetjes van maken. Ook een aantal dienaressen zijn heren: het complement van de travestierol van Nero, bewonderenswaardig indringend gezongen door Brigitte Balleys. De seksen lopen bij Audi nog verder dooreen: als keizer Nero en de dichter Lucano de liefde bezingen, beminnen zij ook elkaar.

Het minst verwarrend is nog de verkleedpartij van de onhandige Ottone (wat bleek gezongen door Michael Chance), die Drusilla's jurk aantrekt om Poppea te gaan doden. Het leidt tot de treffende scène waarbij Ottone en Drusilla om het hardst Nero smeken om door hem te worden gedood. Het brengt, na de afdwongen zelfmoord van Seneca, de amorele tirannieke Nero nog in de keurige positie dat hij edelmoedigheid kan voorwenden. Zo verkeert de slechterik uiteindelijk nog met behulp van Amor in het voordeel en lijkt er rechtvaardiging voor zijn huwelijk met Poppea, een prachtige rol van Cynthia Haymon. Als publiek weten we overigens wel beter.

Anders dan bij Il ritorno di Ulisse in patria, de afgelopen zomer nog in Amsterdam en New York herhaald, ontbrak het wat mij betreft in de uitvoering nog aan maximaal onontkoombare intensiteit. De premièrevoorstelling kwam maar moeizaam op gang, ook door de niet altijd erg geïnspireerde leiding van Rousset, die de soms te weinig kleurrijke begeleiding verzorgt met een minimale inzet van de vier blazers met blokfluiten en cornetto's. Hij streeft toch meer naar schoonheid dan naar pure expressie.

De zeldzame hoogtepunten, buiten het spaarzame gebruik van wat theatertechniek, waren slechts de scènes waarin Nero onbeschaamd zichzelf kon zijn, vooral in de dialogen met Seneca (een sonore partij van Carlo Colombara) en Lucano. Claron McFadden zong fraai als Valletto, de tragiek van Ottavia bleef in de vertolking van Nin Liang iets te oppervlakkig. Het bewees hoe moeilijk het is wat Audi altijd probeert. Als het lukt is het fantastisch, als het niet helemaal lukt, is het al snel een beetje saai, wanneer men het eerder beter heeft gezien.

    • Kasper Jansen