Smullen van smakeloosheden bij Campert en Mulder

Voorstelling: De Teen, door Remco Campert en Jan Mulder. Gezien: 3/11 De Kleine Komedie, Amsterdam. T/m 6/11 aldaar. Daarna tournee t/m 18/12.

Een woordkunstenaar die zijn publiek wil boeien, moet de aandacht zoveel mogelijk van de tekst afleiden. Dat zegt een dichter in een kort verhaal van Remco Campert. De woordkunstenaar heeft net een optreden achter de rug waarbij hij twee uur lang op één been heeft gestaan, balancerend op een meters hoge paal. In deze houding droeg hij zijn gedichten voor en nu heeft hij kramp in zijn kuiten.

In werkelijkheid onderscheidt een optreden van Campert, ook wanneer hij iets met anderen onderneemt, zich nauwelijks van een traditionele voorleesavond. Remco Campert en Jan Mulder staan in hun nieuwe voorstelling De teen meestal stokstijf op het podium, op twee benen en niet op één, de houten tuinbank mijdend die onder een rood-geelgroen geschilderde boom ongeduldig op hen wacht. Het niet-zitten is hun enige fysieke prestatie van betekenis. Om beurten lezen zij een stukje voor uit eigen werk, hun blik strak op het papier of op de zaal gericht. Voor de klaterende fontein in het parkachtige decor hebben zij geen oog, evenmin als voor de duif die zich vredig aan het water laaft.

Camperts literaire held drinkt liever whisky. Totdat hij op een dag wordt opgepakt omdat hij dronken in de dakgoot loopt. Als promotor van zijn eigen proza echter speelt Remco Campert geen dronkaard, maar een bekakt pratend heerschap in een smetteloos kostuum, een éminence grise van de vaderlandse letteren die niettemin trouw is gebleven aan zijn anti-kapitalistiese idealen. Het duurt een tijdje voordat de avonturen van de whiskydrinkende dichter en zijn bovenbuurman Humdrum gaan fascineren. Erg geloofwaardig zijn hun lotgevallen niet; misschien spelen ze zich alleen in de geest van de dichter af. Zo gaat hij op een vroege ochtend een havenkroeg binnen waar 'de lichtekooien en ruwe zeelieden' hem smeken een gedicht te smeden, en zo rijmelt hij het een en ander bij elkaar, over de 'zilten troost' bijvoorbeeld die hij in de 'gulden lichaamssnede' van een vriendinnetje vond.

Boeiender dan de inhoud van Camperts verzen en verhalen is de vorm, en dan vooral het spel met schilderachtige oudhollandse woorden en gezegden die tot op de draad zijn versleten.

Verbruikt Remco Campert, geboren in 1929, nogal wat warmlooptijd, Jan Mulder, voormalig spits bij de Brusselse voetbalgigant Anderlecht, raast al in de eerste minuten recht op het doel af. Hij heeft zijn Tor-instinct nog niet verloren en brengt met zijn sombere relaas over pukkels sommige toeschouwers aan het brullen van het lachen. Bereikt hij dat effect omdat zij niet willen geloven dat Jan Mulder last van comedonen heeft?

Mulder poseert niet alleen als een intens vermoeide, door huiduitslag geplaagde Bekende Nederlander, maar ook als een Bekende Nederlander die in zijn hart nog steeds een puber uit de Groningse provincie is. Zijn moeder in Winschoten, zijn vreemdgaan in Antwerpen met een 'bloedjong lief' en de pogingen van een evangelist de zondaar uit Holland te redden - ziedaar een paar van Mulders onderwerpen, compleet met spruitjeslucht en natte jongensdromen.

Dat beide schrijvers onder het mom van zelfspot duizendmaal hun eigen roem bezingen - het, zowel de roem als het zingen, zij hun van harte gegund. Dat ze uitsluitend in seksuele termen over meisjes praten, alla. Maar waar is de eendrachtige samenwerking? De heren voeren wel een drietal sketches op waarin de een Mart Smeets en de ander Jean Nelissen speelt, maar die parodietjes op de wielerverslaggeving bij de NOS zijn flauw en weinig verrassend.

Wie de smakeloosheden op de koop toe neemt, zal smullen van De teen, een avondvullende voorstelling. Nog leuker is het om de wijsheden van Remco Campert en Jan Mulder zelf te lezen, thuis voor de tv.