Rob Ehrens stuurt zijn paarden soms twee weken op vakantie in de modder; 'Ik zoek een eerlijk en werkwillig paard'

Wie als ruiter wil overleven in de concurrerende prijzenslag van de springsport, moet sterke benen hebben. “Dit is het vak van de desillusies,”, zegt Rob Ehrens. In 1988 werd hij Nederlands kampioen, won hij met Olympic Sunrise de Grote Prijzen van Helsinki en Amsterdam en reed hij op de Olympische Spelen van Seoul. Maar de verkoop van Sunrise en vertrek van Ehrens bij zijn werkgever Adrie Gordijn, dwong hem een stapje terug doen. Vijf jaar later is de ambitie terug. Hij springt dit weekeinde in Amsterdam. Met een paard dat de zwaarste parcoursen aan kan en als mogelijke financier zijn oude werkgever Adrie Gordijn.

AMSTERDAM, 6 NOV. “Het boek van het verleden is dicht en gaat ook nooit meer open”, stelt de 36-jarige Rob Eherens resoluut. Over het verleden wil hij dan ook maar enkele zinnen kwijt: “Ik ben weggegaan bij de familie Gordijn omdat ik te weinig mijn eigen inzichten met de paarden kon volgen. Rancuneus ben ik beslist niet. Toen de familie mij vroeg om op een andere basis terug te komen, heb ik daar graag 'ja' op gezegd. Ik heb twee paarden ter beschikking gekregen, maar blijf ook nog paarden van andere eigenaren rijden. En uiteraard volg ik mijn eigen weg in de training.”

Die eigen weg blijkt vaak langer te zijn dan die van de meeste anderen. Ehrens is er de man niet naar om paarden onder druk te laten presteren. “Ik wil een paard dat ik voorzichtig en zorgvuldig opleidt, nooit afbluffen. Ik zal eerder te voorzichtig zijn met mijn paarden, dan dat ik een paard te vroeg inzet voor een echt zware wedstrijd”, zegt Ehrens. Voorzichtig zijn ligt in het karakter van de bescheiden Limburger. Opmerkelijk aan Ehrens is, dat na achttien jaar springsport weliswaar de scherpe kantjes een beetje zijn weggeslepen - zo is hij van een stijfkop de man van de dialoog geworden, die zijn boze gezicht al kwijt is zodra hij zich heeft omgedraaid - maar dat hij in feite dezelfde bescheiden en vriendelijke vent is gebleven. Met een “inwendige verlegenheid” zoals hij dat zelf noemt, gaat Ehrens beleefd en goed gehumeurd zijn eigen weg. Een weg die hij met zijn vrouw Vilja uitstippelt, want de dagelijkse intensieve gesprekken met zijn vrouw vormen de grootste drijfveer achter zijn prestaties.

Ehrens komt er rond voor uit dat zijn huwelijk en zijn gezin de basis zijn voor zijn bestaan. “Het was met Vilja liefde op het eerste gezicht, iets waar ik voor die tijd helemaal niet in geloofde. Zij is net zo rustig als ik. Met mijn trouwe, aan het gezin verknochte houding ben ik misschien een uitzondering in het gezelschap van de bon vivants van het rondtrekkende springcircus. Ik maak ook graag plezier op een concours natuurlijk, maar ik ben hier vooral met mijn vak bezig. Bij sommige collega's slaat de balans wel eens naar de andere kant door.”

Ehrens heeft in zijn paardesportloopbaan al heel veel paarden gereden. Als hij moet aangeven welke eigenschappen hij in een springpaard zoekt, kiest hij niet direct voor 'springvermogen'. “Dat kun je ontwikkelen. Maar karaktermatige zaken ontwikkel je nauwelijks, die staan je aan of niet. In de eerste plaats zoek ik daarom een eerlijk paard. Verder moeten mijn paarden werkwillig zijn. Ik ben een klein manneke en een zwaar paard dat niet uit zichzelf voorwaarts is en met veel beengebruik gereden moet worden, ligt mij gewoon niet. Tenslotte heb ik graag een voorzichtig paard. Mijn ervaring is dat eerlijke paarden, die ook als het moeilijker wordt of hun vermoeidheid begint te tellen, voor je willen blijven werken. Dan ontwikkelt hun springvermogen zich vanzelf. Wat dat betreft kun je veel leren van de menselijk atleten. Mentaliteit zegt heel veel, bij mensen, maar ook bij paarden.”

De werkwilligheid van het paard kun je als ruiter ook te veel beproeven. Dan wordt het tijd voor een korte vakantie. “Neem nu Macho,” zegt Ehrens, “Tijdens het CHIO in Rotterdam wilde hij gewoon niet meer aanpakken. Het leek wel of elke sprong te veel moeite was. Toen heb ik hem twee weken in de wei gegooid. Het leek wel een straatjongen, zo zat hij onder de modder. Vervolgens kreeg hij een zadel op om wat buiten te stappen. Twee weken geleden in Leeuwarden was het een ander paard. Ik herken zoiets goed bij mijn paarden. Zelf heb ik ook perioden dat ik het allemaal even voor gezien houd. Dan heb ik overal genoeg van en loop nergens echt meer warm voor. Dan moet ik gewoon een of twee weken geen paard aankijken een bijvoorbeeld op wintersport gaan. Na zeven dagen in de sneeuw kom ik herboren terug en ben ik weer honderd procent gemotiveerd.”

Het werk bestaat bij Ehrens voornamelijk uit dressuurmatige training. “Begrijp me goed”, zegt hij: “Ik pin me niet vast op één methode, want elk paard vraagt om een eigen aanpak. Maar mijn training is erop gericht controle te krijgen. Dat is het uiteindelijke doel: controle, zodat hij in de ring gehoorzaam zijn werk doet. Met die gehoorzaamheid bedoel ik niet de Duitse afdwingende methode, waarbij het paard geen enkel initiatief gelaten wordt. Dat ligt mij niet. Ik bedoel een gehoorzaamheid, gebaseerd op vertrouwen.”

De dressuurmatige aanpak, is Ehrens in het begin van zijn loopbaan bij Henk Nooren met de paplepel ingegoten. “Nooren is een hele goede coach geweest. Zijn technische aanwijzingen liggen op hetzelfde vlak als die van onze huidige bondscoach Hans Horn, maar Nooren was harder in zijn aanpak. Horn is uiterst gelijkmatig. Hij zal nooit schreeuwend enthousiast zijn en nooit heel erg negatief. Hij is recht door zee en je kunt van zijn adviezen op aan. Het is onvoorstelbaar wat een invloed mensen als Horn, Nooren, Nanning en Heins op de ontwikkeling van de springsport hebben gehad. Vergelijk de gemiddelde Nederlandse springruiter en zijn manier van rijden maar eens met de gemiddelde buitenlander. Je zult weinig landen kunnen vinden waar de springruiters zo netjes te paard zitten en zo'n goede dressuurmatige ondergrond hebben, als in Nederland.”

Ehrens wordt aan het einde van het gesprek bijna filosofisch. Hij gelooft dat de dingen die je in het leven overkomen een bepaalde zin hebben. “Je moet altijd bewuste keuzes maken,” zegt hij. “Voor een manier van leven, voor een rijstijl, voor een bepaald paard, voor een wedstrijdprogramma. Op sommige beslissingen kun je terugkomen, op andere niet. Ik heb zo langzamerhand geleerd dat je af en toe wint en af en toe verliest. Beide horen bij het leven en hebben een bepaalde zin. Zeker wanneer je er achteraf op terugkijkt.”