N.G. PIERSON: EEN POLITICUS IN ARCADIË

Briefwisseling van N.G. Pierson 1939-1909 bezorgd door dr. J.G.S.J. van Maarseveen, dln II,III en IV (register), 1939-1909 De Nederlandsche Bank nv 1993, ƒ 120,-- per deel

deel II 729 blz., ISBN 90 7212 295 X

deel III 547 blz., ISBN 90 5516 013 X

deel IV 256 blz., ISBN 90 5516 014 8

Nicolaas Gerard Pierson, minister van financiën, premier, liberaal voorstander van staatsinterventie en grondlegger van het Nederlandse belastingstelsel, was mans genoeg om zijn talrijke fundamentele sociale wetten op eigen kracht met zijn kamermeerderheid van de linkerzijde door het parlement te loodsen, maar zonder de hulp van het paard van Schimmelpenninck zou de Leerplichtwet het in de Tweede Kamer niet hebben gehaald. Die wetgevende oogappel van zijn kabinet kwam met de hakken over de parlementaire sloot. Met 50 tegen 49 stemmen werd het wetsontwerp aangenomen, dank zij de absentie van de vrij-antirevolutionaire afgevaardigde Schimmelpenninck, die door zijn paard uit het zadel was geworpen, als gevolg waarvan de baron niet aan de stemming kon deelnemen. Was hij erbij geweest, dan hadden de stemmen gestaakt en zou het wetsontwerp als vervallen zijn beschouwd.

Piersons premierschap (1897-1901) laboreerde nog aan de formele beperkingen van het ambt, maar uit zijn briefwisseling blijkt niet dat iemand zich daaraan veel gelegen liet liggen. Formeel was Pierson slechts roulerend premier ofwel Tijdelijk Voorzitter van de ministerraad, een functie die ministers eerder veelal bij toerbeurt hadden vervuld. In de praktijk was hij niet minder premier dan zijn opvolger dr. Abraham Kuyper, die de functie - in het reglement van orde voor de ministerraad - een staatsrechtelijke basis gaf. Pierson bediende zich al van alle varianten van titulatuur die het ambt sindsdien kent: premier, minister-president, chef van het ministerie en leider van het kabinet, en hij werd ook onder die titels door de andere ministers aangesproken. In een dankbriefje dat hij aan het einde van de rit van zijn liberale ambtgenoot Goeman Borgesius ontving, werd hij geprezen om zijn leiding en om zijn samenbindende kwaliteiten. 'Met iederen anderen premier zou het, daar ben ik zeker van, minder goed zijn gegaan''.

Pierson treedt in zijn correspondentie naar voren als een combinatie van een goedaardige bemoeial en een besluitvaardige denker. Wanneer hij in 1901 terugkijkt op een geslaagde sociale hervorming (leerplichtwet, ongevallenwet, woningwet, kinderwetten) laat hij zich ontvallen dat er twee zielen in zijn borst strijden. Op het ene moment denkt hij met gelukzaligheid terug aan de tijd waarin hij het professoraat combineerde met het directoraat van De Nederlandsche Bank en later met het commissariaat bij een handelmaatschappij in tabak. Dat werk bezorgde hem aanmerkelijk meer genoegen dan kopzorg. 'Het is een lust jaarlijks de boeken zorgvuldig na te gaan en in bijzonderheden de operatiën te controleeren. Alles knap, degelijk en oordeelkundig. Daarbij een allerkeurigste administratie.'' Op het andere moment, een aantal jaren later, schrijft hij: 'Ik houd van denken nog veel meer dan van handelen.'' Hij deelt dat mee aan een vakgenoot, met wie hij aan de vooravond van de overdracht van zijn portefeuille aan Kuyper correspondeert over de herziening van zijn vermaarde Leerboek Staathuishoudkunde, dat ook in Engeland furore zal maken. Piersons naar het universitaire overhellende voorkeur belet hem echter geenszins er in het kabinet flink de wind onder te houden en de Kamers vier jaar lang aan het werk te houden met zijn ambitieuze wetgevingsprogramma.

De Briefwisseling van Pierson - in fraaie delen uitgegeven door De Nederlandsche Bank en voorzien van een annotatie die een lust is voor de liefhebber - gaat voor het grootste deel over specialistische financiële aangelegenheden die vooral de muntpolitiek geschoolde lezers belang zullen inboezemen. Maar ze bevat genoeg interessants ook voor wie slechts geïnteresseerd is in de algemene politieke geschiedenis. In talrijke terzijdes ontvouwt zich een beeld van de werkomstandigheden van een minister-president in het arcadische amateurtijdperk van de politiek, toen een ministerie nog een klein bedoeninkje was waarin een minister de weg kende als in zijn eigen broekzak.

Pierson stond aan het hoofd van het departement van financiën (het premierschap deed hij er in de namiddag even bij) waar nog maar 171 ambtenaren werkten. Hij kende ze allemaal persoonlijk (het grootste deel afkomstig uit de kring van ons-soort-mensen) en wist welke ambtenaar een salarisverhoging verdiende en welke niet. Een briefschrijver uit het o.s.m.-circuit die schriftelijk een pleidooi had gehouden voor een salarisverhoging van een van zijn ambtenaren (de adjunct-commies M.N. Scholl van Egmond), gaf hij ten antwoord dat hij geen termen aanwezig achtte om de ambtenaar, die pas een jaar geleden promotie had gemaakt, een verhoging te geven. Billijkheidshalve moest hij 'de betrekkelijk kleine som die te mijner beschikking staat'' zo verdelen dat de rechten van anderen voor moesten gaan. Hij kon nu slechts aan een eventuele gratificatie op termijn denken. 'Thans blijkt mij, dat er over het afgeloopen dienstjaar eenig overschot is op den begrootingspost. Dat geld kan ik, in den vorm van gratificatiën, verdeelen, en daarvan krijgt de Heer S.v.E. ƒ 50.-.''

Van ambtelijke coalities die de dienst uitmaakten en ministers voor voldongen feiten stelden, had Pierson nog geen last. Zijn beslissingen werden nog niet ambtelijk voorgekookt en stonden geheel op zijn naam. De staatsrechtelijke doctrine van de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid was nog niet aan de horizon verschenen en de minister sprak nog niet door de mond van het ambtelijk apparaat. De talrijke ambtsbrieven met zinsneden als 'ik meen'' en 'ik heb besloten'' zijn zonder uitzondering allemaal brieven van de persoon Pierson.

De aardigheid van die ongerepte individualiteit is dat men in de werkzaamheden van de premier ook het aandeel van de wetenschapper kan volgen. De vakman Pierson (theoretisch econoom en kwartiermaker van de officiële economische statistiek in Nederland) jaagt voortdurend de staatsman Pierson op om het overheidsbeleid op steeds betere, wetenschappelijk verantwoorde cijfers te baseren. Hij geeft de Centrale Commissie voor de Statistiek (de voorloper van het CBS, waarvan Pierson als de founding father geldt) de opdracht aan de formulieren voor de volkstelling van 1899 enkele vragen toe te voegen om een beter inzicht te verkrijgen in het vraagstuk van de volkshuisvesting. Pierson wordt daarmee de schepper van de algemene woningstatistiek in Nederland. Uit zijn brieven over de ellendige woonomstandigheden van het overgrote deel van de bevolking spreekt vakkennis en politiek beleid, maar ook sociale bewogenheid en zakelijkheid. Hij bindt de Commissie op het hart het onderzoek beknopt te houden en de bewoners niet over details lastig te vallen. 'Ze moeten niet aanstonds te veel vragen stellen.'' Op de enquêteformulieren voor de volkstelling wordt de door Pierson gedicteerde vraag gedrukt in hoeverre in de volkswoningen 'door een of meer ramen of door eene deur gemeenschap bestaat met de buitenlucht''. Het inzicht dat daaruit wordt gewonnen zal van niet te schatten betekenis blijken te zijn in de campagne voor de tbc-bestrijding.

Piersons brieven getuigen van een gemakkelijke relatie met de regentes koningin Emma, maar over de jonge Wilhelmina, die onder zijn premierschap werd ingehuldigd, schrijft hij opmerkelijk weinig. Zeer koningsgezind zal hij zeker niet zijn geweest, want met koninklijke lintjes die hij als 'speelgoed' betitelde, had hij niet veel op. Over de heikele kwestie van prins Hendriks financiën (het kabinet had hem een jaargeld beloofd, maar zag daarvan af uit angst voor de oppositie van Troelstra) zwijgt hij discreet. Hij wist ongetwijfeld dat de prins door die weinig standvastige beslissing zijn ondergang tegemoet ging.