MACONDO

Het grootste warenhuis van Suriname heet Kersten. Volgens de firma is het ook het oudste warenhuis, niet alleen van Suriname, maar van het gehele westelijke halfrond, omdat het werd gevestigd in 1768. Hier zal wel iets op af te dingen zijn, omdat het in het begin geen warenhuis was, maar een eenvoudig kruidenierszaakje, maar goed, in Suriname is het inderdaad het grootste. En het leegste. De afdelingen voor buitenboordmotoren en champagneglazen zijn goed voorzien, maar op de boekenafdeling bijvoorbeeld zijn geen echte boeken meer te koop. De rekken zijn gevuld met kerkelijke blaadjes, tuinboeken en Nieuwe Revu's van maart 1991 (die bij aankoop keurig worden verpakt in bruin papier). Er zijn ook enkele poëziebundels - het is een dichterlijk volk - maar er is niet één roman.

Het enige bijna gewone boek is Suriname: een portret van de republiek, een toeristische uitgave van Kersten zelf. De foto's zijn gemaakt door J.M. Dubois, die ook de schrijver is van de tekst, in het Nederlands en het Engels. Het jaar van uitgave wordt nergens vermeld, opdat het dure boek lang meekan, tenminste, als er niet weer gekke dingen gebeuren zoals revoluties en staatsgrepen. Wat dat betreft kunnen de foto's de tekst amper bijhouden. Zo schrijft Dubois onder het gebouw van de volksvertegenwoordiging: 'De Nationale Assemblee', terwijl op de foto zelf het bordje boven de ingang is te lezen met: 'Parlement van de Republiek Suriname'. Tussen tekst en foto ligt dus ten minste een coup. Aan de hand van de stadsbeelden is nog preciezer te bepalen hoe oud de foto's zijn. Er komen namelijk gebouwen voor die tijdens de verschillende militaire machtswisselingen in puin zijn geschoten. Mijn schatting is dat Dubois in 1976 heeft gefotografeerd en pas in 1991 de tekst schreef. Hij maakt bijvoorbeeld nog melding van de wereldkampioenschap van Anthony Nesty.

Op zich zijn de foto's prachtig, zij het leugenachtig. Je merkt niets van het verval, de roest, het bederf en de verrotting. Alles is even sprankelend en kleurrijk, maar dat heb je altijd met kleurenfoto's van de tropen. Ze verzwijgen al wat akelig en onverdraaglijk is, ze verkoelen de hitte en parfumeren de stank en ze geven aan de ergste ruïnes een romantische schittering.

Dat geldt ook voor de kiekjes die ik zelf een paar weken geleden heb gemaakt. Om aan mijn Europese vrienden de onzinnigheid van natuurbehoud en de hopeloosheid van cultuurbehoud in Suriname te tonen fotografeerde ik bermen en trottoirs die door geldgebrek overwoekerd zijn geraakt, waardoor de straten steeds smaller schijnen. Maar het gras is zo mooi groen dat ik niemand kan overtuigen van de noodzaak van begaanbare wegen. Ik heb ook een foto genomen van het vroegere Oranjeplein, dat nu Onafhankelijkheidsplein heet. Op de foto van Dubois staat een keurig onderhouden grasveld, terwijl op de mijne een veld vol grassprieten van een halve meter hoog is te zien. Maar iedereen in Nederland vindt mijn foto mooier, want woester en echter. Dat vinden ze ook van de foto's van de brede Surinaamse rivieren, de duistere, door vraatzuchtige piranha's bevolkte wateren met ondoordringbare mangrove-oevers, waarachter weer ondoorgrondelijke oerwouden vol gifslangen en roofdieren. Ik wilde er de belachelijke pretentie van de mens mee illustreren om de tropische natuur aan zich te onderwerpen. Maar waarom zou die natuur onderworpen moeten worden, vraagt men zich hier in alle onschuld af.

De vreemdste reactie kreeg ik op een foto die ik maakte van een twee verdiepingen hoog gebouw aan de Zwartenhovenbrugstraat, dat al een paar jaar is verlaten. De balken van het balkon hangen wrakkig naar beneden, maar dat belet de mensen niet om er beschutting te zoeken tegen de helse zon van twaalf uur, wat overigens een goede keus lijkt tussen een mogelijke dood door verplettering en een onvermijdelijke dood door verbranding. Het moet een imposant plantershuis zijn geweest en later misschien een winkel, maar nu groeit er een papayaboom op het dak. Zie hier, de verloren strijd van de mens tegen de natuur, zei ik tegen een kennis. Maar hij keek er vol bewondering naar en mompelde: 'Hoog Marquez-gehalte.''

De meeste Surinamers nemen een meer rationele houding aan tegenover de natuur. Hoe zinloos de strijd tegen de woestenij ook lijkt en hoe bedroevend tijdelijk een eventuele overwinning ook is, ze blijven zich onvermoeibaar verzetten tegen het oprukkende onkruid. Dagelijks wiedt en harkt men de erven, als uiting van netheid, fatsoen en goed burgerschap.

Het is aandoenlijk, dit voortdurende gevecht tegen de natuurlijke verwildering, maar het houdt op aandoenlijk te zijn als er ook slag wordt geleverd tegen wat je een 'culturele verwildering' zou kunnen noemen. Zoals de gewone mensen ongewilde grassprieten wegschoffelen, schoffelen de geschoolde mensen wilde ideeën weg. De Surinaamse intellectuelen zweren bij een schoon erf, en schoon is al wat nationalistisch en antikoloniaal is. Keer op keer gaan er stemmen op om toch maar weer na te denken over de manier waarop de dekolonisatie plaatsvond en het vreemde gevolg dat zij had, en wel een grotere afhankelijkheid van het koloniale moederland dan ooit te voren. Maar dat is onkruid, dat is toegeven aan verwildering.

Keurig is alleen het volgehouden verhaal dat er eerst een hardwerkend volk bestond dat werd onderdrukt en uitgebuit, dat dat volk zich bevrijdde van zijn overheersers en dat het bestaan sindsdien moeilijk was geworden, maar tenminste in waardigheid werd geleid. Dat het natuurlijke instinct van de mensen anders werkt deert de intellectuelen geen moment. De gewone Surinamers herinneren zich de koloniale tijd nog en uiten tegenwoordig kreten als 'gemenebest', 'nieuw koninkrijksverband', 'monetaire unie' of desnoods weer afhankelijkheid. Maar dat is de wilde natuur en het moet worden bestreden.

De Surinaamse onderwijzers, dichters en journalisten zijn dan ook geen echte intellectuelen, maar ideologen. Het zijn geen plantkundigen die met kruisbestuivingen experimenteren, maar tuinlieden die wieden en harken. Ideologen volgen een geijkt patroon, hoeveel moeite het ook kost. Ze zwaaien met hun schoffels en houwers en maaien als bezetenen om zich heen, maar de natuur zal men nooit laten overwinnen.

Het is zo kleinzielig en pietepeuterig als het tuinieren zelf. Een bewust geplante struik krijgt mest en water en alle andere pollen er omheen worden met kracht uit de grond gerukt. Zo ook worden de voedselpakketten uit Holland geapprecieerd en staat men op de ontwikkelingshulp, maar iedere andere vorm van samenwerking daar omheen is uit den boze. Al wordt de eigen munt waardeloos, al wankelt de rechtsstaat omdat de gangsters zich voorzien van politieke macht, al zijn de boekwinkels leeg en raken alle openbare terreinen overwoekerd, de antikoloniale trots blijft gehandhaafd.

Zo krijgt het leven in Suriname inderdaad een hoog Marquez-gehalte. Paramaribo gaat steeds meer lijken op Macondo, een door wilde struiken overwoekerde, slapende koloniale stad in Zuid-Amerika, waarin de ideologen op saaie zondagen met geheven zeis en geweer parmantige strijdliederen zingen. De verlangde werkelijkheid is voor hen belangrijker dan de herinnerde werkelijkheid, en al groeien er lianen langs de muren van het Presidentiële paleis, ze blijven het zien zoals Dubois het ooit fotografeerde. Helder wit, met donkerbruine ramen, een strakblauwe hemel er boven en een keurig onderhouden palmentuin er achter. Maar de ellende, de echte ellende is eigenlijk dat het niet anders is te fotograferen. Het paleis is op mijn eigen foto stralend bruin, de ramen zijn schitterend verweerd, de hemel is lieflijk bewolkt en de palmentuin erachter, dat moet ik toegeven, is nog altijd keurig onderhouden.