Kleine nekslagen

Terug in Nederland kreeg ik meteen zo'n kleine nekslag van het soort waarin wij ons hebben gespecialiseerd; een 'plotselinge omdraaiing der verwachtingspatronen' zou ik zeggen als ik therapeut was. Carpoolstrook werkt averechts las ik in het Algemeen Dagblad. De extra rijbaan die bedoeld is voor 'carpoolers' blijft 'nagenoeg' leeg en de files zijn tweemaal zo lang. Voor 62 miljoen gulden is er een carpoolwisselstrook aangelegd, om de mensen te verleiden met hun drieën of meer in één auto naar hun werk te gaan. Als beloning zouden de carpoolers tot hun opgetogenheid vaststellen dat ze een half uur eerder op hun werk waren. Het AD citeert de heer A. Koot van de verkeersdienst van de politie in Driebergen: 'Er is een heel grillig beeld dat wij niet kunnen verklaren.'' Dan volgt er een reeks hypothesen waarin ik niets zie.

Toen het besluit tot aanleg van de carpoolstrook was gevallen en niet meer kon worden teruggedraaid hebben we er op kantoor uitvoerig over gedebatteerd. Iedereen had een mening die van alle andere afweek maar we waren het er na een paar uur wel over eens dat het niets kon worden. Uit die discussie zijn me de volgende punten bijgebleven.

1. Bepaalde automobilisten die niet meer in de file wilden en daarom in de trein zaten, zouden bij de eerste gelegenheid als vanouds in hun auto springen. Die gelegenheid was de opening van de carpoolstrook. Ze veronderstelden dat daardoor weer ruimte op de gewone stroken zou komen, en die gingen ze goed gebruiken. Met honderden of misschien wel meer zijn ze na de feestelijke opening van de carpoolstrook weer achter hun eigen stuur gaan zitten, niet dus om over deze nieuwe baan te rijden, maar juist ernaast. Zo komt het dan Jan, Kees en Wim, die elkaar vorige week nog in de coupé zagen, vandaag weer in de file tegen elkaar zwaaien.

2. Als een van de eerste carpoolrijders (1963) weet ik dat het een stomvervelend werk is. Nooit verloopt de tocht zoals je denkt. We gaan er vanuit dat de carpoolcar het eigendom van A is, die dus ook achter het stuur zit en eerst B ophaalt en daarna C, of met B en C op een bepaalde plaats heeft afgesproken. Ten eerste is iedere week één op de vijf keer één van de drie carpoolers niet op tijd, of ziek of verhinderd, wat weer één op de twee keer proefondervindelijk door de anderen moet worden vastgesteld. Ten tweede hebben die drie onderling meningen over elkaar die niet onverdeeld gunstig zijn, zodat veel in de besloten ruimte van de cabine niet kan worden gezegd. Dit selectief zwijgen een werkjaar lang vol te houden is bovenmenselijk. Hoe meer mensen een car poolen, hoe erger het wordt. Ten derde zit iedereen simpelweg het liefst alleen in zijn auto als hij naar zijn werk gaat.

Punt 1 en 2 leiden ertoe dat de carpoolstrook 'nagenoeg' leeg is, en dat ook zal blijven. Daarom zou het verstandiger voor de minister zijn, de carpoolstrook op te heffen in plaats van de politie te Driebergen nog meer manuren te laten besteden aan loze hypothesen.

De 'kleine nekslagen': daarover gaat dit stukje. Ik ben altijd bang dat ik weer zit te neuzelen over trivialiteiten (terwijl er toch zoveel belangrijker dingen in het leven zijn), maar het gaat over mijn uren van de dag die ook de uwe zijn, en daarom overwin ik mijn angst, en ik zal aan het slot proberen de trivialiteiten tot een regel van hoger niveau te verheffen.

Men herinnert zich misschien nog dat aan het begin van de zomer achterin een aantal wagens van de Amsterdamse tram een comfortabel soort hokken werden gebouwd. Die waren voor de conducteurs en uiteindelijk tegen het zwartrijden. Deze voorzieningen hebben het GVB zestigduizendvijfhonderd gulden per stuk gekost. Op lijn zes zit nu een conducteur, in andere trams vervoert dit hokje nog steeds gratis ongeveer tien kubieke meter lucht. Als je het goed bekijkt is dit een vorm van zwartrijden die alles overtreft wat het collectief der Amsterdamse zwartrijders zich kan dromen. Dat er lucht in dit hokje zit in plaats van een conducteur komt doordat er geen conducteurs worden gevonden. Dat niemand conducteur wil worden komt weer door een mysterieuze regeling waarvan niemand iets begrijpt. Aan de buitenkant van sommige trams staat te lezen: VRIJE TRAMBANEN. Daarbij denkt de Amsterdammer aan de 'autovrije binnenstad' en dergelijke luchtspiegelingen, maar het is een woordspeling. Denk na!

Terug uit het buitenland viel het me weer op hoeveel hier wordt gebouwd. Ik vind het jammer dat de trein in Rotterdam niet meer over het Viaduct rijdt (luchtspoor werd het in zijn laatste dagen plotseling genoemd), want nu zie je niets van die prachtige stad; geen uitzicht over de Koningshaven en de Maas meer, geen perspectief van Coolsingel en Weena, geen Laurenstoren, enz. Maar ik was toch trots toen ik door de nieuwe tunnel reed, het ondergrondse Station Beurs zag (daar is sinds 1940 geen Beurs meer), met zijn simpele en elegante architectuur. En dan Den Haag, met het nog steeds groeiende regeringscentrum, het Manhattan der bureaucraten, en een brug over de achtbaans verkeersweg zodat de bewindvoerders snel bijelkaar kunnen komen. De nieuwe skyline van Leiden, het onstuitbare Schiphol, al die uitbreidingen en verbeteringen van Amsterdam. Hier en daar zou je er een andere vorm aan willen geven maar het geheel wekt de overtuiging dat je in een land bent waar een rusteloos volk woont.

Al schrijvend heb ik de trivialiteiten achter me gelaten. En nu de regel van algemener strekking. Het aanleggen van een carpoolstrook, het bouwen van conducteurshokjes, het uit de grond stampen van hypermoderne regeringskolossen, al die moeite die we ons getroosten - laten we het maar onze niet aflatende collectieve inspanning noemen, wordt ingegeven door de beste bedoelingen. Wat mij altijd verbaast is dat we dan zo nonchalant omspringen met het produkt van bedoeling en inspanning, anders gezegd: het rendement, en dat we dit al impliciet doen, eenvoudig door het niet of half te berekenen.

Een carpoolstrook: goed voor het milieu, banen in de wegenbouw gecreëerd, ongestresste mensen sneller op het werk, dit is bijelkaar al zo overdonderend dat je je niet eens meer hoeft af te vragen of 'de automobilist' het wel wil. Nu blijkt: 'De automobilist' wil het niet. Het complex van goede bedoeling en grote inspanning eindigt in een half lacherig, half triest niet-begrijpen. 'Er is een heel grillig beeld dat wij niet kunnen verklaren.'' Dat allemaal bijelkaar is de kleine nekslag.

    • S. Montag