JACQUES LACAN; Faust in Frankrijk

Jacques Lacan. Esquisse d'une vie, histoire d'un système de pensée door Elisabeth Roudinesco 723 blz., geïll., Fayard 1993, ƒ 73,70 ISBN 2 213 03146 0

Écrits sur la psychanalyse. Freud et Lacan door Louis Althusser 310 blz., Stock/IMEC 1993, ƒ 60,25 ISBN 2 234 02599 0

In 1975 maakt Jacques Lacan zijn derde reis naar Amerika. Hij is in Frankrijk op het toppunt van zijn roem: de persoonlijke incarnatie van de psycho-analyse en een van de onaantastbare giganten van het laat-structuralistische denken. Patiënten drommen samen in Lacans praktijk, zijn openbare colleges worden massaal bezocht. Voor een groeiende schare volgelingen is zijn woord wet en openbaring tegelijk.

In Amerika is het nog niet zo ver. Alleen op sommige faculteiten (Franse literatuur, vrouwenstudies) wordt zijn werk gelezen. Het weerhoudt hem er niet van in New York een privé-bezoek aan de Metropolitan Opera te eisen: 'Zeg maar dat ik Lacan ben.' Zijn begeleidster redt zich uit de situatie door de autoriteiten te vertellen dat Jean-Paul Sartre incognito het gebouw wil bezoeken, maar zijn naam onder geen beding genoemd wil horen. De list werkt dank zij creatief tolken (Lacan spreekt geen Engels) en onwetendheid bij de Amerikanen omtrent Sartre's uiterlijk.

De episode is kenmerkend voor de man die zijn eigen mythe waarschijnlijk bewust creëerde, een mythe waarin hij op den duur zelf moet zijn gaan geloven. Meer dan andere Gallische goeroes werd hij al tijdens zijn leven een halfgod en voorwerp van een bedenkelijke persoonsverheerlijking.

Elisabeth Roudinesco heeft, twaalf jaar na Lacans dood op tachtigjarige leeftijd, getracht diens leven en persoon te reconstrueren. Het eerste is haar beter gelukt dan het tweede; ook deze biografie dringt niet werkelijk door het masker heen. Omstreden, zelfs traumatisch blijkt de herinnering aan Lacan in Frankrijk nog steeds te zijn. Het boek heeft de bittere polemiek tussen anti- en pro-lacanianen (en tussen de facties daarbinnen) opnieuw fel doen oplaaien.

Zelf neemt Roudinesco een tweeslachtige houding aan. Als vruchtbaar psycho-analytisch publiciste, zeer actief in de debatten van de jaren zeventig, en als dochter van de psycho-analytica Jenny Aubry, die met Lacan goed bevriend was, moet ze de man persoonlijk hebben gekend, al maakt ze er nauwelijks melding van. Het kan haar beeld van hem niet ten goede zijn gekomen. Geen gelegenheid laat ze voorbij gaan om de nadruk te leggen op zijn hebzucht, egoïsme, ambitie, draaikonterij en grootheidswaan. Toch kan ze zich maar zelden tot een uitdrukkelijke veroordeling brengen. Waren Lacans tarieven exorbitant? Dat waren ze, maar alleen voor de rijken, schrijft ze (overigens op goede gronden). Gedroeg Lacan zich tijdens zijn spreekuren onberekenbaar en soms zelfs gewelddadig? Misschien, maar de ex-patiënten die ze aan het woord laat, blikken er opmerkelijk mild op terug. Vroeg hij vrienden en patiënten dierbare bezittingen aan hem af te staan? Jawel, maar hij dwong ze nooit. Ging hij met menige patiënte seksuele relaties aan? Jawel, maar altijd buiten de ruimte waar de analyse plaatshad, schrijft Roudinesco.

MANIPULATIE

Lacan was een verleider van wie een overweldigende aantrekkingskracht moet zijn uitgegaan. Roudinesco beaamt het keer op keer, en haar biografie bewijst het. Een stoet van vrouwen, vriendinnen en minnaressen trekt op de pagina's langs. 'Of hij het wilde of niet - en hij wilde het vaak -, hij was zo goed als onweerstaanbaar,' schreef Françoise Giroud in de Nouvel Observateur naar aanleiding van het boek. Vrijwel iedereen, mannen en vrouwen, viel voor die verleiding en vermoedelijk heeft die ook op Roudinesco haar uitwerking niet gemist. Maar doordat ze die charme niet kan (of wil) beschrijven, blijft het een verbijsterend en onverklaard mysterie hoe zoveel mensen zich zo vaak en zo aanhoudend door Lacan konden laten koeioneren.

Wat overblijft is het portret van een moderne doktor Faustus (een duivel, noemt Giroud hem) die alles - intelligentie, manipulatie, macht en charme - aanwendt om rijk en beroemd te worden. Daar zal hij op overtuigende wijze in slagen, al gaat hij onderweg door diepe dalen. In 1936 wordt zijn eerste substantiële bijdrage aan de psycho-analyse, op het internationale psycho-analytische congres te Mariënbad na tien minuten afgehamerd. Het is niet zijn eerste vernedering. Nog maar enkele jaren eerder, in 1932, heeft hij in zijn proefschrift, een case-study van een paranoïde vrouw vanuit de psychiatrie een opening gemaakt naar de psycho-analyse. Hoopvol stuurt hij het werkstuk naar Freud, die hem een beleefd kaartje terugstuurt: 'Dank U voor de toezending van Uw proefschrift.' Uit niets blijkt dat hij er een blik in geworpen heeft.

Lacan leeft in die tijd, als ziekenhuispsychiater, in de grote stijl van de Parijse bourgeoisie. Vooral door zijn huwelijk met Marie-Louise ('Malou') Blondin krijgt hij, als telg van een geslacht van azijnhandelaren, in 1934 toegang tot de hogere kringen. Een grand bourgeois is hij altijd gebleven, maar zijn nonconformisme en hang naar intellectueel avontuur trekt hem al snel naar de linkeroever. In 1930 had hij al contact gezocht met Salvador Dali, die in zijn opstel L'âne pourri betoogd had dat paranoia haar eigen logica en rede bezit. Hij ontdekt de surrealisten en hun notie van de écriture automatique en maakt kennis met Georges Bataille, die hem tot schrijven aanzet. Hij leest Heidegger, Nietzsche en - via de beroemd geworden colleges van Alexandre Kojève, met toehoorders als Raymond Queneau, trouw notulist, Levinas, Dumézil en Sartre - Hegels Phänomenologie des Geistes.

BLIJSPEL

Fascinerend beschrijft Roudinesco deze galerie van eminente denkers en virtuoos weet ze in kort bestek hun ideeën samen te vatten. Niet minder fascinerend zijn de onderlinge relaties tussen hen en hun vrouwen, die soms de verwikkeling krijgen van een achttiende-eeuws blijspel.

Lacan valt al snel voor de charme van de actrice Sylvia Bataille, die zojuist van tafel en bed gescheiden is van Georges Bataille. Sylvia schenkt hem in 1941 zijn dochter Judith, die volgens de Franse wet onder Bataille's naam in het geboorteregister wordt bijgeschreven. Pas in 1964 zal Lacan - in wiens theorie de 'naam-van-de-vader' een sleutelrol vervult - erin slagen haar zijn achternaam te geven. Zij zal hem nauwelijks dragen; twee jaar later trouwt ze met Lacans leerling Jacques-Alain Miller.

Voor de door Lacans talrijke slippertjes geplaagde Malou is met Judiths geboorte de maat vol. Zij scheidt van Lacan, van wie ze inmiddels drie kinderen heeft. Pas bij toeval zullen dezen later het bestaan van hun halfzuster ontdekken. In 1953 treedt Lacan met de inmiddels officieel gescheiden Sylvia in het huwelijk. Sinds 1941 bewonen zij twee huizen in de rue de Lille, zij op nummer 3, hij op nummer 5, waar hij zijn leven lang zijn praktijk zal blijven uitoefenen.

In Sylvia's huis begint hij in 1951 privé-colleges te geven: het Séminaire, dat twee jaar later in officiëler vorm wordt voortgezet in het ziekenhuis Sainte-Anne. Lacan wil de psycho-analyse 'revolutioneren' in de meest letterlijke zin van het woord: 'terug naar Freud'. De psycho-analyse is te tam geworden. Anders dan Freud heeft zij er geen oog meer voor dat onder het psychische en sociale leven chaos en geweld heersen. Zij is - vooral in haar Amerikaanse variant - een conventionele in plaats van een revolutionaire kracht geworden.

Die terugkeer naar Freud moet gepaard gaan met een wetenschappelijke grondlegging van de psycho-analyse. Daartoe grijpt Lacan terug op de theorieën van de Zwitserse linguïst De Saussure, die in het begin van de jaren vijftig door de filosoof Merleau-Ponty opnieuw onder de aandacht is gebracht. Vanaf dat moment zal de lacaniaanse psychologie onder het teken staan van de signifiant: 'Het onbewuste is gestructureerd als een taal'. De combinatie van structurele taalkunde en Nietzscheaanse chaos-theorie zal Lacan tot een van de meest markante vertegenwoordigers van het laat- of post-structuralisme maken.

De Franse psycho-analytische vereniging zag dat met gemengde gevoelens aan, te meer daar Lacan de duur van zijn spreekuren (officieel vastgesteld op vijftig minuten) naar willekeur verlengde of verkortte, gewoonlijk het laatste. Dat komt hem in 1963 op uitstoting te staan, waarmee hij ook zijn collegezaal in Sante-Anne verliest. Het jaar daarop sticht hij zijn eigen school: de École freudienne de Paris. Voor zijn onderkomen doet hij een beroep op de filosoof Louis Althusser, dan nog maar in kleine kring bekend, maar overtuigd van Lacans betekenis. Misschien nog belangrijker: hij is studiebegeleider in de École normale supérieure en heeft de dagelijkse leiding in dit prestigieuze instituut.

HARLEKIJN

Lacan en Althusser kennen elkaar niet, maar dat weerhoudt de eerste er niet van een amicale brief te schrijven: 'Onze relaties zijn al oud, Althusser. U herinnert zich ongetwijfeld mijn lezing aan de École normale, vlak na de oorlog...' De brief is het begin van een korte, navrante correspondentie tussen beiden, die tegelijk met Lacans biografie in het derde deel van Althussers nagelaten geschriften werd gepubliceerd. Het bevat teksten rond de psycho-analyse, waaronder een obscuur artikel uit 1963 dat de lof van Lacan bezingt en dat de laatste mede tot zijn toenaderingspogingen bracht.

Die zijn niet vergeefs. Vanaf januari 1964 zet Lacan zijn séminaire voort in de school aan de rue d'Ulm. Zijn belangstelling voor Althusser verdwijnt even abrupt als ze gekomen is. Schrijft de laatste lange brieven vol theoretische bespiegelingen, Lacan antwoordt hoogstens met korte, praktische briefjes, soms niet meer dan een paar woorden: 'Niet gek, die knaap van u. Merci.'

Die 'knaap' is Jaques-Alain Miller, een jonge normalien die door Althusser naar Lacans colleges is verwezen en op de laatste diepe indruk heeft gemaakt met zijn systematisch referaat over Lacans nog altijd tamelijk ongeordende gedachten. Al snel is Miller niet meer bij Lacan weg te denken. Hij huwt zijn dochter en hoedt zijn gedachtengoed, waarvan hij ten slotte de executeur-testamentair zal worden.

En daarmee raakt dit denken volgens Roudinesco op het verkeerde spoor. Van een open, steeds veranderend intellectueel avontuur - waarvan ze zich een enthousiast bewonderaarster toont - wordt het onder Millers invloed een orthodoxie, met een strenge systematiek en excommunicatie van elke afwijkende mening. Het is geen 'terugkeer naar Freud' meer, maar wordt een zelfstandig, gesloten systeem dat zijn eigen wortels ontkent en buiten elke geschiedenis om kant en klaar uit de hemel lijkt te zijn neergedaald. Was Lacan de Jezus, Miller wordt de Paulus van het lacanisme.

Roudinesco zet die tegenstelling scherp aan. Striemend vergelijkt zij de zorgvuldige uitgave van Lacans Écrits uit 1966, het eerste boek dat deze sinds de oorlog publiceert, met de door Miller verzorgde publikatie van zijn college-teksten. Foutief, onwetenschappelijk en tendentieus, oordeelt zij.

Ook in Lacans eigen school konden dissidente geluiden niet blijvend worden geweerd. Zij was misschien aan haar eigen succes bezweken. In 1969 werd Lacan opnieuw uit zijn collegezaal verdreven. Zijn leer doorstond de toets van wetenschappelijke gestrengheid niet, meende de directeur van de École normale. In feite moet hij zich minstens zo erg hebben gestoord aan het steeds talrijker en steeds mondainer publiek dat wekelijks van zijn schoolgebouw bezit nam en de rue d'Ulm met sportwagens en limousines blokkeerde.

Het was maar een tijdelijke nederlaag. Lacan vond onderdak in de rechtenfaculteit van de Sorbonne, waar een gigantische collegezaal nog ruim tien jaar met moeite ruimte zou bieden aan de massaal toestromende bewonderaars. Ook de gelederen van de École freudienne groeiden en in de heftige debatten die daarbinnen (mede onder feministische invloed) werden gevoerd, moet Miller - suggereert Roudinesco - zijn greep hebben voelen verzwakken. Op een bewogen bijeenkomst in maart 1980 bevestigt Lacan zijn besluit de École op te heffen. Hij is nog maar een schim van zijn vroegere verschijning; in zijn séminaires doet hij trouwens al sinds een jaar nog maar nauwelijks een mond open. Hij is een 'ongelukkige, beklagenswaardige harlekijn van tachtig jaar,' zegt Louis Althusser, die het woord neemt uit naam van alle patiënten. Diens verwarde verslag van die avond is opgenomen in Écrits sur la psychanalyse. Zijn totale ineenstorting en moord op zijn vrouw Hélène zijn dan nog maar een paar maanden weg.

OORLOGSVERKLARING

Lacan overlijdt het jaar daarop; de strijd om de intellectuele erfenis barst los. Met zuiveringen en rechtszaken weet Miller zijn autoriteit af te dwingen, maar slechts tegen de prijs van talloze scheuringen en steeds heftiger kritiek. Al in het tweede deel van haar monumentale Histoire de la psychanalyse en France (1986), waarin de figuur van Lacan overheersend is, toonde Roudinesco zich jegens Miller weinig zachtzinnig. Sindsdien is kennelijk elke communicatie verbroken. De nu verschenen biografie leest als een oorlogsverklaring.

'Een opgewarmde druk van haar vorige boek,' noemde Judith Miller Roudinesco's biografie in een snibbig interview in Le monde. Niet geheel ten onrechte; Roudinesco steunt zwaar op haar vroegere werk, waaraan ze herhaaldelijk refereert. Weliswaar worden veel details nader ingevuld en komen Lacans biografische en intellectuele lotgevallen scherper naar voren, maar het fascinerende en verbijsterende panorama van de Franse intellectuele scene heeft daardoor veel aan scherpte verloren.

Lacan: een oplichter en obscurantist of een genie? Al in 1976 houdt François Roustang het in zijn boek Un destin si funeste op het eerste. Roudinesco neigt eerder tot de tweede kwalificatie, al worden haar reserves groter naarmate Lacan op hogere leeftijd verknoopt raakt in steeds duisterder, quasi-mathematische constructies. Een duidelijke inleiding in het denken van Lacan moet men van deze biografie dan ook niet verwachten. Ook na een kleine zeshonderd bladzijden blijft de man die zichzelf voor niet-analyseerbaar hield een raadsel.