IS LINKS HANDIG?

De linkshandige picador. Over links- en rechtshandigheid: feiten en verzinsels door Rik Smits 240 blz., Nijgh en Van Ditmar 1993, ƒ 39,90 ISBN 90 388 7045 0

The left-hander syndrome. The causes and consequences of left-handedness door Stanley Coren 308 blz., geïll., John Murray 1992, ƒ 62,-- ISBN 0 7195 5112 9

Ze vormen een minderheid, ze lopen allerlei risico's en ze worden vaak gediscrimineerd. Toch heeft de tien procent van de mensheid die linkshandig is zich nog steeds niet in pressiegroepen georganiseerd en wordt in de inrichting van de samenleving nog steeds weinig rekening met hen gehouden. Bij scharen, kurketrekkers, blikopeners, linialen, spiraalblokken, koffiezetapparaten, wapens, auto's, en alle andere attributen is rechtshandigheid de norm. Een aantal van die spullen is weliswaar ook voor linkshandigen verkrijgbaar, maar voor de echt belangrijke dingen - auto's, geweren, snijmachines - is dat niet het geval. Slechts op één punt hebben linkshandigen een belangrijke overwinning behaald: het schrijven. Tot zo'n dertig jaar geleden moesten linkshandigen op de lagere school met hun onhandige hand leren schrijven. Voor velen een traumatische en vernederende ervaring. Tegenwoordig is het schrijfonderwijs veel toleranter; linkshandig schrijven is vrijwel geheel geaccepteerd.

Toch is linkshandigheid nog steeds omgeven met een waas van inferioriteit en stunteligheid. Voor een deel is dat te verklaren door de voortdurende confrontatie met een op rechtshandigheid ingestelde wereld, voor een ander deel speelt allerlei bijgeloof de linkshandige parten. De pers van de linkshandige werd nog een stuk slechter toen de psycholoog Coren twee jaar geleden de aandacht trok met zijn bewering dat linkshandigen ook een aanmerkelijk kortere levensverwachting hebben: ze zouden bijna negen jaar korter leven dan rechtshandigen.

De taalkundige Rik Smits schreef over de 'feiten en verzinsels' van linkshandigheid het boek: De linkshandige picador. Vorig jaar was Coren hem al voorgegaan met The left-hander syndrome. In veel opzichten zijn de boeken met elkaar te vergelijken. Beide auteurs hebben zich er op toegelegd een populair-wetenschappelijk boek over linkshandigheid te schrijven, en beide auteurs zijn daar ook in geslaagd. Zowel Smits als Coren kan ingewikkelde zaken in eenvoudige zinnen uitleggen en beide auteurs houden de aandacht gevangen. Verder wordt in beide boeken uitgebreid stilgestaan bij traditionele opvattingen over links en rechts en komt in beide boeken de nog steeds vrij duistere biologische achtergrond van linkshandigheid aan de orde.

Verschillen zijn er ook: Coren heeft zelf onderzoek gedaan naar linkshandigheid, geeft bronvermeldingen en heeft zijn boek strak opgezet, Smits daarentegen baseert zich op literatuurstudie, geeft alleen een lijst van aanbevolen boeken en schrijft wat rommeliger. Verder is Coren van mening dat linkshandigheid een teken kan zijn van een neurologische beschadiging en is Smits veel optimistischer. En of het er iets mee te maken heeft of niet: Coren is rechtshandig, Smits linkshandig.

DUIVEL

Het boek van Smits houdt het midden tussen een cultuurhistorische en een natuurwetenschappelijke verhandeling. De auteur gaat uitgebreid in op mythen en stereotypen die over links en linkshandigheid in omloop zijn. De dichotomie links-rechts hangt volgens hem in allerlei culturen samen met de dichotomie slecht-goed en dat kan gevarieerde vormen aannemen: van de taboeïsering van de linkerhand bij eten en begroeten tot het consequent afbeelden van de duivel als linkshandige.

Smits heeft meer pijlen op zijn boog. De betekenis van links en rechts in de schilderkunst, religie en politiek, vroege en recente theorieën over de oorzaken van linkshandigheid, de problemen van de linkshandige bij schrijven, schoenveters strikken en knippen - alles komt in zijn boek aan de beurt. De toon is strijdbaar; Smits heeft weinig sympathie voor de opvatting dat linkshandigen een zielige subcategorie van de mensheid vormen. Een slachtofferrol ambiëren ze niet, zegt Smits, en doordat ze voor heel wat handelingen zelf moeten uitvinden hoe ze verricht moeten worden - de rechtshandige ouder kan zijn linkshandige kind maar moeilijk voordoen hoe het zijn veters moet strikken - ontwikkelen linkshandigen een zekere eigengereidheid die geen kwaad kan.

Voor het traditionele struikelblok van het linkshandig schrijven zijn volgens hem heel goede oplossingen voorhanden. Met een correcte instructie hoeven linkshandigen niet slechter te schrijven dan anderen, zegt Smits, en hij legt helder uit hoe de linkshandige met een subtiele strek- en buigtechniek van de vingers niet de mindere hoeft te zijn van de rechtshandige. In zijn ijver voor de goede zaak gaat Smits hier wel wat ver. Voor een linkshandige blijft het van links naar rechts schrijven natuurlijk een extra opgave: het is een hele toer om niet met de hand door het pas geschrevene te vegen en, belangrijker nog, de hoek waaronder de pen over het papier beweegt werkt haken en spetteren in de hand - de linkshandige duwt zijn pen waar de rechtshandige kan trekken. Ook bij de behandeling van de gewichtige vraag of linkshandigen nu wel of niet een kortere levensverwachting hebben wordt Smits gedwarsboomd door de emancipatorische tendens van zijn boek. Allemaal onnodige paniek, zegt Smits, Coren is een slecht onderzoeker. Maar is dat zo?

BROKKEN

Het zwaartepunt van Corens boek is het gegeven dat linkshandigen langzaam maar zeker uit de bevolkingsstatistieken verdwijnen, een verschijnsel dat al door vele onderzoekers is waargenomen. Van de tienjarigen is 15 procent linkshandig, op vijftigjarige leeftijd is dat gezakt tot vijf procent en van de tachtigjarigen is nog maar één procent linkshandig. Daar kunnen twee oorzaken voor zijn, zegt Coren. Het kan zijn dat mensen in de loop der tijd overschakelen op rechtshandigheid, het is ook denkbaar dat linkshandigen het minder goed in het leven doen en eerder sterven.

De eerste verklaring verwerpt Coren. Pogingen om linkshandigen tot rechts te bekeren zijn meestal weinig succesvol en als ze al slagen gebeurt dat op jeugdige leeftijd. Blijft over die onheilspellende 'eliminatie-hypothese'. Samen met de psychologe Diane Halpern trok Coren de 'handigheid' van een kleine duizend overleden Californiërs na en ontdekte dat de linkshandigen gemiddeld negen jaar jonger waren toen ze overleden.

Dat linkshandigen eerder sterven zou door twee factoren verklaard kunnen worden. Ten eerste werkt het feit dat de wereld op rechtshandigen is ingesteld in het nadeel van linkshandigen en in zijn uiterste consequentie kan dat tot dodelijke ongelukken leiden. Veiligheidssluitingen zitten aan de verkeerde kant, boor- en zaagmachines zijn op rechtshandige bediening ingesteld, en voor allerlei werkzaamheden moeten linkshandigen vaak vreemde houdingen aannemen. Ten tweede zou linkshandigheid wel eens een aanwijzing kunnen zijn voor een dieper liggende neurologische afwijking die behalve tot linkshandigheid ook tot een hoger overlijdensrisico leidt. Een aanwijzing voor die veronderstelling kan gevonden worden in het feit dat onder mensen met aangeboren lichamelijke of geestelijke afwijkingen meer linkshandigheid is te vinden dan onder gezonde mensen.

Het onderzoek van Coren en Halpern heeft nogal wat kritiek ontmoet. De informatie over de voorkeurhand was van familieleden van de overledene afkomstig en zou niet altijd nauwkeurig zijn. Verder wordt gewezen op de geringe respons; van ongeveer tweederde van de dode Californiërs uit de oorspronkelijke steekproef bleven de gegevens onbekend.

Smits heeft geen goed woord over voor het onderzoek van Coren: 'Niet meer dan een zeepbel, een publiciteitsstunt van een overambitieuze professor'', die 'op een uiterst onfatsoenlijke manier omgaat met de gevoelens van zijn linkshandige medemens''. Dat zijn forse beschuldigingen, maar erg overtuigend zijn ze niet. Smits versmalt in zijn weergave van het onderzoek van Coren diens verklaring voor de geringere levensverwachting van linkshandigen tot één simpel theorietje waar hij vervolgens de vloer mee aanveegt: 'Kort en goed kwam het er op neer dat linkshandigen veel vaker een ernstig ongeluk kregen dan rechtshandigen.'' Dat is wel kort, maar niet goed. De lezer van The left-hander syndrome weet dat Coren eerst wijst op een breed spectrum van stoornissen die met linkshandigheid samenhangen, en vervolgens als 'nog een factor' de aandacht richt op de brokken die linkshandigen vaker zouden maken.

Dat alles neemt niet weg dat de these van Coren nog steeds omstreden is. De demograaf Van Imhoff heeft er een paar maanden geleden in de Volkskrant op gewezen dat je eigenlijk de beschikking zou moeten hebben over sterftecijfers onder links- en rechtshandigen voor iedere leeftijdscategorie afzonderlijk. Alleen op die manier is te voorkomen dat meet- en geheugenfouten het resultaat vertekenen. Totdat die beschikbaar zijn en totdat die van een bevredigende interpretatie zijn voorzien, blijft de afname van linkshandigen in de oudere leeftijdscategorieën een verschijnsel dat even intrigerend als verontrustend is.

    • Warna Oosterbaan