Incestdiagnose is terechtgekomen in semantische pap

Tussen rechercheurs en psychologen treden in toenemende mate grensoverschrijdingen op. Marten Brouwer stelt het als vraag (NRC Handelsblad, 30 oktober). Allereerst moet men vaststellen in hoeverre samenwerking tussen justitie en psychologie, die altijd enige grensoverschrijding met zich meebrengt, noodzakelijk en wenselijk is. Vervolgens moet men de grensoverschrijdingen empirisch bepalen aan de hand van de gemeenschappelijke taal die beide partijen hanteren. Psychologen hebben een belangrijke inbreng bij vragen als: hoe worden beslissingen genomen, welke rol spelen risicoschattingen daarbij, hoe werkt het geheugen, enzovoorts. Bij justitie lost men deze vragen niet zelden op met gezond verstand. En dat is helaas niet zo'n logisch verstand. Omgekeerd kan justitie aan psychologen iets leren. Psychologen, wetenschappers en hulpverleners zijn niet zelden 'weltfremd' als het gaat over de sociale context van criminaliteit.

Kinderpornografie wordt niet opgelost door gekissebis over wat pornografisch wordt gevonden. Het is een commercieel circuit waarin meisjes en jongens, vaak met medeweten van ouders, worden uitgebuit. Kinderarbeid dus, vaak als onderdeel van andere criminele activiteiten. Afhankelijk van zaken als verstedelijking en armoede. Daar heeft justitie een beter zicht op of zou het in ieder geval moeten hebben. Helaas de samenwerking die noodzakelijk is, heeft in het afgelopen decennium geleid tot een semantische pap. Neem de diagnose van incest die Brouwer centraal stelt. Het psychiatrisch-psychologisch diagnostisch systeem kent de hele diagnose niet. Wel depressie, paniekstoornissen of meervoudige persoonlijkheidstoornissen, die soms, maar niet altijd, optreden bij mensen met incestervaringen. Justitie kent de diagnose wel, maar noemt die ontucht (artikel 249). In dat artikel werden heel wat meer zaken dan incest genoemd. Gevolg: hele verhandelingen waarin ontucht, incest, depressie, misbruik, slachtoffer als centrale termen terugkomen zonder dat duidelijk is waar het precies om gaat. Het aanscherpen van de beroepscodes zal weinig soelaas bieden. Justitie is verwikkelt in een 'law and order' debat. Binnen de psychologie gaan theoretici en hulpverleners elkaar te lijf. De politiek richt zich vooral op de economische recessie en lijkt gedesoriënteerd als het over andere vraagstukken gaat.

Brouwers betoog lijkt objectief. Alle ouders die ten onrechte voor ontucht met hun kinderen veroordeeld worden op basis van ondeugdelijke diagnostiek zullen zijn argumentatie steunen. Wat te zeggen van kinderen die ten onrechte zijn gehoord door diezelfde ondeugdelijke diagnostiek? Die niet serieus genomen worden door het hele systeem van omzichtige diagnostiek met poppen en tekeningen en vage aanduidingen? Als kinderen negen jaar of ouder zijn, snappen ze heel goed wat bedoeld wordt met woorden als vingeren, neuken, kut, lul en ballen. Dat vinden vele volwassenen niet leuk en er worden nogal wat kindermonden met zeep gespoeld als deze uitdrukkingen in huiselijke kring vallen, maar de realiteit is dat ze vaak wel degelijk weten waar Abraham de mosterd haalt. Niets diagnostische tests. Gewoon vragen en luisteren naar het antwoord. Ze worden pas angstig en onhelder als de ondervrager angstig en onhelder is. Ze verdienen een menswaardig systeem van ondervragen. Door justitie, niet door psychologen of hulpverleners.

    • A.X. van Naerssen