HET VROEGE GELIJK VAN EEN 'BITTERBEK'; Helen Suzmans kruistocht tegen de apartheid

In no uncertain terms door Helen Suzman 294 blz., geïll., Sinclair-Stevenson 1993, ƒ 64,60 ISBN 1 85619 187 7

De apartheid heeft moedige mensen gekweekt. Helen Suzman is een van de bekendste. Van 1953 tot 1989, waarvan dertien jaar in haar eentje, bestreed ze in het Zuidafrikaanse parlement het onrecht en de absurditeiten van het apartheidssysteem. Terwijl een overmacht van de Nationale Partij de rassenscheiding en onderdrukking steeds verder in wetgeving verfijnde, hield Suzman onvermoeibaar waarden als vrijheid en gerechtigheid overeind. Ze werd tegelijk een soort nationale ombudsvrouw voor de slachtoffers van de apartheid: zwarte Zuidafrikanen die van hun land waren verdreven, uit elkaar gerukte families, gevangenen, familieleden van gedetineerden die uitgleden over een stuk zeep en overleden in de politiecel.

Helen Suzman (75) heeft haar plaats aan de goede kant van de streep in de Zuidafrikaanse geschiedenis dus wel verdiend. Niet voor niets spreekt Nelson Mandela in het voorwoord van haar memoires In no uncertain terms van 'een prachtig gevecht tegen de apartheid'. Het is bijna gewonnen. De omwenteling van apartheid naar democratie nadert haar voltooiing met algemene verkiezingen. Suzman is inmiddels over de hele wereld gelauwerd als voorvechter voor de mensenrechten. President De Klerk heeft het partijprogramma waar zij voor stond vrijwel overgenomen. En Nelson Mandela, die zij in de gevangenis op Robben Eiland leerde kennen, woont inmiddels in Houghton, de wijk voor de zeer rijken in Johannesburg die Suzman al die jaren in het parlement vertegenwoordigde.

Veel meer kan een politica niet bereiken. Maar de balans van veertig jaar verzet heeft ook een verlieskant. Suzmans Democratische Partij dreigt in de verkiezingen te worden weggevaagd. De houdbaarheid van de liberale waarden in het nieuwe Zuid-Afrika is allerminst gegarandeerd. Suzman gaat daar in haar boek nauwelijks op in. Haar autobiografie beschrijft haar rol in de roerige veertig jaar dat de Nationale Partij vergeefs probeerde de zwarte meerderheid buiten de deur te houden. Vanaf het moment dat de NP in 1948 aan de macht kwam ('De Nats krijgen we nooit meer weg', dacht Suzman wanhopig toen ze de verkiezingsuitslag hoorde) volgt ze de ontwikkelingen chronologisch: de verharding van het Afrikaner nationalisme, de rassenwetten, het verzet van de Afrikaanse bevrijdingsbewegingen, Sharpeville, Soweto, de noodtoestand onder P.W. Botha, de sancties, de bekering van president De Klerk en de vrijlating van Nelson Mandela. Het verhaal is in grote lijnen bekend, en Suzmans boek voegt aan de geschiedschrijving weinig toe. In no uncertain terms is vooral het verslag van een politieke kruistocht tegen onrecht.

VLEESHANDEL

Helen Gavronsky werd in november 1917 geboren in Germiston, even buiten Johannesburg. Haar vader was een van de vele joden die rond de eeuwwisseling van Litouwen naar Zuid-Afrika emigreerden. Hij maakte fortuin in de vleeshandel. Helen groeide op zoals veel blanken, zonder zich veel zorgen te maken over de raciale verhoudingen in het land. Toen ze twaalf jaar oud was, tekende ze verzoeken om uitzonderingen op de pasjeswetten voor het zwarte personeel: 'Geeft u a.u.b. pashouder Jim toestemming om elf uur vanavond thuis te komen'.

Haar raciaal ontwaken kwam eind jaren veertig, toen ze als docent economische geschiedenis aan de universiteit politiek actief werd. Voor het Zuidafrikaanse instituut voor rassenverhoudingen moest ze een bijdrage leveren voor een commissie die een herziening van de arbeidswetgeving voorbereidde. Zo werd Suzman voor het eerst geconfronteerd met de mensonterende omstandigheden waarin haar zwarte landgenoten moesten leven en werken. Gecombineerd met de joodse ervaring van vervolging, was die openbaring de inspiratie voor haar politieke werk.

De United Party, waarvan de leider generaal Smuts in de verkiezingen van '48 zo smadelijk door de Nationale Partij was verslagen, vroeg Suzman in 1953 zich kandidaat te stellen voor het blanke parlement. Ze werd verkozen en zou tot ze zich terugtrok in 1989 als 'het lid voor Houghton' keer op keer de verkiezingen in haar gebied winnen. Dat gebeurde onder verschillende politieke noemers. De UP voerde tot ergernis van Suzman een gematigde oppositie tegen de apartheidsplannen van de Nats (de partij was aanvankelijk geen voorstander van algemeen, maar van gekwalificeerd kiesrecht). In 1959 splitste Suzman zich af met de meer vooruitstrevende vleugel en vormde de Progressieve Partij, die via een aantal fusies en naamsveranderingen uiteindelijk de Democratische Partij zou worden. In de Nederlandse verhoudingen zou men haar waarschijnlijk onder de meer progressieve geesten binnen de VVD aantreffen - strijdbaar-liberaal op de niet-materiële thema's en conservatief op financieel-economisch terrein.

'Ik gebruikte het parlement,' schrijft Suzman. De Nationale Partij, hoe autoritair ook, heeft altijd respect gehad voor het parlement als instituut. De pers mocht erover berichten, en dat bood een opening in de strenge censuur. Suzman kon openlijk de wantoestanden die voortvloeiden uit de apartheid, haar toegespeeld door advocaten, actiegroepen of gedupeerde individuen, in haar toespraken naar buiten brengen. De haar welgezinde Engelstalige pers en de buitenlandse correspondenten pikten het op. Haar werk had daardoor een effect dat niet in verhouding stond tot de omvang van haar één-vrouwsfractie. In een normaal parlement was het onmogelijk geweest, in Zuid-Afrika had haar tegenstem het gewicht van een meerderheid die niet kon stemmen. In Soweto vierde men feest als Helen Suzman een verkiezing won.

Het kwam haar in het parlement op de toorn van de 'Nats' te staan. In de toch al niet fijnzinnige Zuidafrikaanse politiek is ze jarenlang blootgesteld aan grappen, pesterijen, beledigingen en antisemitische opmerkingen van haar mannelijke collega's. Suzman beschrijft ze met een mild hoofdschudden. Ze is voor alles uitgemaakt: een ziekelijke humanist, een neo-communist of een verrader. Suzman redde zich door een rechte rug en een vlijmscherpe tong, die haar de Afrikaanse bijnaam bitterbek opleverde. Toen premier Hendrik Verwoerd, grondlegger van de 'grote' apartheid met thuislanden voor zwarte groepen, haar toevoegde: 'Ik heb u afgeschreven,' was Suzmans antwoord: 'De wereld heeft u afgeschreven'.

BEKLAG

Befaamd waren haar botsingen met minister van defensie, premier en uiteindelijk president P.W. Botha. De kiem voor hun jarenlange controverse was gelegd op 6 september 1966, toen premier Verwoerd in de parlementszaal door een bode van Griekse afkomst met een mes in de nek werd doodgestoken. De moordenaar werd later krankzinnig verklaard. Vlak nadat het was gebeurd, kwam Botha in de vergaderzaal woedend op Suzman af en schreeuwde: 'Jij hebt dit gedaan. Het is de schuld van jullie liberals. Jullie hitsen mensen op. Maar nu zullen we jullie krijgen. We zullen jullie allemaal krijgen.' Suzman, verbijsterd, deed haar beklag bij de voorzitter, die Botha de volgende dag dwong tot een halve, niet gemeende verontschuldiging. Sindsdien was de sfeer tijdens debatten meer dan ijzig.

Premier Botha sprak haar toe op een manier die men zich van zijn Nederlandse collega moeilijk kan voorstellen: 'Het geachte lid voor Houghton moet ophouden te kakelen. Zij heeft de gewoonte permanent te kakelen. Als mijn vrouw zo kakelde als het geachte lid, zou ik wel weten wat ik met haar zou doen. Niets werkt zo op mijn zenuwen als een vrouw die mij permanent interrumpeert. Zij is als water dat druppelt op een zinken dak.'

Twee thema's hebben haar politieke werk in het bijzonder gekenmerkt: de verdediging van de rechtsstaat en de positie van gedetineerden. De Nationale Partij boog het recht naar alle gewenste kanten om de dominantie van de minderheid te garanderen. Ministers kregen onbeperkte bevoegdheden, zoals het verlengen van gevangenisstraffen bij decreet, zonder dat de rechter eraan te pas kwam. Suzman liep keer op keer te hoop tegen de flagrante schending van de beginselen van het recht. Politiek gezien maakte het niet veel uit, maar symbolisch hield zij de rechtsstaat levend.

Ze gebruikte haar positie als parlementariër ook om gevangenen te bezoeken, van de bekendste als Mandela tot de naamlozen. De abominabele toestand waarin zij leefden, kaartte ze vervolgens aan in het parlement. Ook dit leverde haar zowel eerbetoon als hoon op. De dichter Breyten Breytenbach prees Suzman als 'Our lady of the prisoners'. Adriaan Vlok, tot twee jaar geleden minister van wet en orde, hekelde in het parlement haar bezorgdheid over de eenzaamheid van gevangenen: 'In dezelfde adem zegt zij dat de gevangenen urenlang worden verhoord. Ik wil haar vragen - zijn ze dan werkelijk eenzaam?' De schok bij het lezen van anekdotes als deze komt doordat het allemaal zo verbijsterend kort geleden is.

Suzman verloor veel van haar populariteit in progressieve kringen in de jaren tachtig, omdat ze de economische sancties niet steunde. Met dezelfde onverzettelijkheid waarmee ze oppositie voerde tegen de apartheid, bestreed zij het politiek correcte idee dat Zuid-Afrika moest worden geïsoleerd. Ineens was ze niet meer welkom als spreekster op de universiteiten. 'Ik geloofde niet dat maatregelen die de economie konden verwoesten en het land in chaos storten, de situatie konden verbeteren. (...) Juist de mensen die men hoopte te helpen, zouden worden geraakt door strafmaatregelen.' De vraag wie gelijk heeft gekregen, zal in Zuid-Afrika altijd wel een theologisch dispuut blijven. Maar dat de zwarten, met een werkloosheid van bijna 50 procent, vooral hebben geleden onder de verlamming van de economie, heeft Suzman juist voorspeld.

TWIJFEL

Suzmans blik op de toekomst is weinig opzienbarend. Ze heeft haar hoop vooral gesteld op de 'gematigden' in de Zuidafrikaanse samenleving. Hier wreekt zich het gemis in haar autobiografie: het is een beschrijving zonder analyse. Van iemand die zo dicht bij het vuur heeft gezeten, had men meer verklaring willen hebben. Zoals gewoon is in de Engelstalige kringen in Zuid-Afrika, schampert Suzman over de Afrikaners zonder hen echt te doorgronden. Waarom traden de Afrikaners als één blok op in het parlement voor een zaak waar ze achter de schermen tegenover Suzman hun twijfel over uitspraken ('We houden de situatie nog wel voor mijn generatie en die van mijn kinderen, en daarna, wie kan het schelen?' voegde een Nationalist haar ooit toe)? Was het een samenspel van economische en religieuze factoren van een 'uitverkoren volk' dat zich met een missie in Afrika geplaatst zag of was het een simpel geval van eigenbelang?

Het zijn vragen waar een goede biograaf misschien antwoorden op had kunnen krijgen. Dan hadden we ook Suzmans oordeel kunnen lezen over de talloze Engelstalige liberals, die jarenlang het beginsel van algemeen kiesrecht predikten en nu het zover is vooraan staan in de rij bij de emigratiekantoren. Of over het dilemma van verzet tegen een systeem waar ze economisch van profiteerden. Of over de toekomst van het liberalisme, dat in Afrika nooit voet aan de grond heeft gekregen.

Wie dergelijke kwesties aangesneden wil zien, hoeft Suzmans boek niet te lezen. Ze is een politica die noodgedwongen en met ongelooflijke inzet van crisis naar crisis holde. Zo laat haar autobiografie zich ook lezen. Hier en daar irriteert de toon van de gelijkhebber die gelijk heeft gekregen. Maar dat kan men Helen Suzman nauwelijks kwalijk nemen. Ze hàd gelijk.

    • Peter ter Horst