Gevangen in de stereotiepen van Justitie

Gevangenissen en psychiatrische inrichtingen zijn 'totale instituties'. Instellingen waarin het leven geheel geregeld is en waaruit ontsnappen moeilijk is. Zo'n totalitaire werking kan ook uitgaan van begrippen en denkpatronen: de imago's die individuen dwingend krijgen opgeplakt en de stereotiepen waarin groepen worden gevangen en gemanipuleerd. Op macro-niveau is er het beleidsdenken, waarin een beeld van de samenleving wordt gepresenteerd alsof dat het enig juiste zou zijn. Een goed voorbeeld daarvan is de deze week in de Tweede Kamer besproken justitiebegroting: alternatieven komen niet meer aan bod.

Dit zijn fragmenten uit een rede over 'Rechtsbescherming en totale instituties' die prof. 't Hart op 22 oktober jongstleden in Utrecht hield. De rede zal binnenkort ook integraal verschijnen, als zelfstandige uitgave, bij uitgeverij Gouda Quint BV te Arnhem.

Wie denkt aan 'totale instituties' - zoals gevangenissen en psychiatrische ziekenhuizen - zal misschien direct denken aan de socioloog E. Goffman en aan nog een aantal andere theoretici. Maar die specifieke theorievorming laat ik even terzijde. Want totale instituties: dat is iets wat je als het ware moet voelen om het te begrijpen. Ontbreekt het gevoel, dan lijkt het een probleem als zoveel andere, terwijl het iets verschrikkelijks is. Mijn gedachten gaan naar de Nieuwzeelandse schrijfster Janet Frame, die jarenlang, volstrekt ten onrechte, als schizofreen was opgesloten in de gesloten afdeling van een krankzinnigeninrichting. Het leven in die inrichting, het leven van de patiënten, de machtsstructuren en de wreedheid heeft ze beklemmend en ontroerend beschreven in haar roman Gezichten in het water. Daar wordt een totale institutie werkelijk invoelbaar!

In haar autobiografisch werk beschrijft ze hoe ze, na meer dan tweehonderd onverdoofde electroshocks te hebben ondergaan, door een toeval ontdekte dat ze op het punt stond om gedwongen een ingrijpende hersenoperatie te ondergaan (leukotomie). Een hersenoperatie die 'alle problemen zou oplossen', een 'oplossing' in de zin van (minimaal) een sterk afgevlakte persoonlijkheid. Niemand had haar daarover geïnformeerd of zelfs maar iets besproken. Maar toen de geneesheer-directeur bij haar kwam, en zij in doodsangst verkeerde dat het nu haar beurt zou zijn, verliep het ineens anders. Hij vertelde haar dat ze een literaire prijs had gewonnen. Ook daarvan was haar niets gezegd. Door die literaire prijs kon ze, op het laatste moment, aan leukotomie ontsnappen. Want de dokter zei haar toen dat hij had besloten dat ze dan maar moest blijven zoals ze was. Hier vinden we, denk ik, vrijwel alle kenmerken van de totale instituties uit het bekende boek van Goffman.

In zijn inleiding tot de Nederlandse editie van Goffman gaat Van Doorn in op het 'totale' karakter van de totale institutie. “Totale instituties zijn niet in de eerste plaats een product van het kapitalisme, maar van het totalitarisme. (...) Zij floreren waar absolute claims worden gelegd.” Aldus Van Doorn.

Waarover ik het nu vooral wil hebben, is dit verband tussen de totale institutie en het totalitaire. Het gaat mij echter niet om het verband met totalitaire regimes in politieke zin, en de discussie daarover, maar het verband met het totalitaire in een wijdere kentheoretische betekenis: als een visie op de werkelijkheid die ontkent een visie te zijn naast andere mogelijke visies, maar die 'absolute claims legt' zoals Van Doorn het uitdrukt. Een visie die namelijk pretendeert de werkelijkheid zelf weer te geven en daarmee samen te vallen, zodat van andere visies geen sprake meer kan zijn.

Laten we dus bezien waar dat totalitaire - uiteraard in verschillende gradaties - zich nog meer voordoet binnen ons maatschappelijke en vooral ons juridische denken. Heel beknopt wil ik enkele verschijningsvormen aanstippen, van het macro-niveau van een gehele samenleving tot het micro-niveau van het individu, en daar tussenin. Van Doorn heeft de totale institutie aangeduid als 'een gesloten en geblindeerd universum'. Een historisch voorbeeld van een hele samenleving die in zekere zin geworden was tot zo'n 'gesloten en geblindeerd universum', is de burgerlijke maatschappij van de tweede helft van de vorige eeuw met, als juridische denkvorm, het daarmee verbonden legalisme.

Terzijde en ter voorkoming van misverstanden wil ik de opmerking maken, dat ik het legalisme nu niet benader naar zijn methodologisch aspect, als een wettenfetichisme, maar - aan de hand van recente studies - naar de kentheoretische implicaties.

Waarom was die samenleving een gesloten universum? Allereerst omdat het recht de maatschappij zou afbeelden. Volgens het juridische denken van die tijd, het legalisme, zouden enerzijds de maatschappelijke structuren en anderzijds de regels en leerstukken van het recht samenvallen. De jurist hoefde dan ook niet meer te kijken en te luisteren naar de maatschappij, want die vond hij al kant en klaar in zijn wetboek. Bovendien werd die maatschappij, die in het recht zou worden afgebeeld, als zó vanzelfsprekend ervaren, dat zij 'natuurlijk' ging lijken. Daardoor werd ze de enig-juiste en tenslotte zelfs de enig-denkbare maatschappij (die bovendien in het recht was afgebeeld). Dat is die absolute claim! Alles wat niet paste in de dominante visie op de werkelijkheid werd dus als 'niet-natuurlijk' gecensureerd.

Dit keurslijf van de burgerlijke maatschappij is nergens klemmender terug te vinden dan in de literatuur uit de tweede helft van de vorige eeuw over de gevallen vrouw. De vrouw die, in haar overspel of naar aanleiding van de gevolgen daarvan, tegen de maatschappij in opstand komt. De literatuur, met haar ideaal van openheid en meerduidigheid, kan soms nog door de verstarring heenstoten en woorden geven aan wat niet meer uitdrukbaar is, zij kan nog datgene aan het woord helpen wat Foucault het 'verdrukte weten' heeft genoemd. We vinden dat, in alle helderheid, in Effi Briest van Theodore Fontane. Want het verzet komt er niet alleen impliciet tot uitdrukking, maar ook expliciet, in de woorden die Fontane Effi Briest in de mond legt, en ook in wat hij haar man laat denken, in diens innerlijke twijfel nadat hij haar verstoten heeft.

Daarom kan het legalisme van die burgerlijke, negentiende eeuwse maatschappij in kentheoretische zin totalitair genoemd worden. Dat totalitaire karakter gaat samen met een vorm van instrumentalisme. Het denkpatroon is instrumentalistisch, omdat het voortdurend in dienst staat van het reproduceren van dat eigen wereldbeeld en van die eigen werkelijkheidsinterpretatie - door namelijk alles te censureren wat daar niet in past. De samenhang tussen het totalitaire en het instrumentalisme zullen we steeds opnieuw tegenkomen.

Een even totalitair karakter vertoont vaak, in onze eigen tijd, het beleidsdenken. Maar nu is het niet meer het recht dat pretendeert de hele werkelijkheid af te beelden, zodat er geen andere visie meer mogelijk is. Nu pretenderen sociaal-wetenschappelijke beschrijvingen van de maatschappelijke situatie in beleidsplannen de werkelijke toestand van de maatschappij vast te leggen. Een voorbeeld levert het justitiële beleidsplan Recht in beweging. In dat plan wordt een diagnose van de toestand van onze samenleving gegeven, die zodanig is dat die wel moet leiden tot de conclusie dat Justitie al erg succesvol is geweest en nu nog meer middelen moet hebben om nog succesvoller te worden. Alles wat niet past in die voorstelling van zaken wordt weggelaten, gecensureerd: andere visies op maatschappelijke ontwikkelingen, op de rol die burger en overheid in de verzorgingsstaat hebben gespeeld, op de vraag of het vorige beleidsplan Samenleving en criminaliteit inderdaad zo succesvol was, op de betrouwbaarheid van de slachtoffer-enquêtes en zo meer.

Kortom: de hele maatschappelijke werkelijkheid is zoals die in het plan staat. Dat is weer de absolute claim. Dan zijn andere visies op onze maatschappij niet meer mogelijk: en zij zijn in de politieke discussies ook doorgaans niet meer te horen. U kon dat beluisteren bij de behandeling van de Justitiebegroting. Deze totalitaire aanspraak is weer instrumentalistisch. Zij is het instrument van een beleid: dat geen werkelijke alternatieven wil toelaten; dat de werkelijke keuzemomenten verstopt in de diagnose van de maatschappij, die als 'objectief' beeld van 'de werkelijkheid' gepresenteerd wordt (de absolute claim); dat de politieke discussie dan ook beperkt tot de mogelijkheden die het beleid zelf aandraagt, zoals financiële prioriteiten, en dat tenslotte het recht inzet als louter instrument om dat beleid uit te voeren. Totalitaire aanspraken en instrumentalisme gaan steeds samen.

Kijken we vervolgens naar het micro-niveau van de individuele mens, dan zijn dergelijke aspecten aan te wijzen in imago's die, in extreme vorm, mensen kunnen vastnagelen. Het imago pretendeert dan geen visie te geven op die mens, maar zijn totale werkelijkheid te omvatten: hij of zij is zoals zijn of haar imago. Zo'n imago kan als bewuste strategie door anderen worden gecreëerd, als strategie om iemand te manoevreren. Het totale of totalitaire en het instrumentalisme gaan steeds samen. De schrijver Milan Kundera heeft deze mechanismen schitterend beschreven in zijn roman Onsterfelijkheid. Uiteindelijk kan een imago zó dwingend worden, zó absoluut, dat het betreffende individu geen andere keus meer heeft dan zichzelf aan te passen aan het door anderen gecreëerde beeld.

Maar tussen dit micro-niveau en het besproken macro-niveau ligt het intermediaire niveau van groepen mensen die gevangen worden in stereotiepen. Uit de literatuur over totale instituties is dat overbekend: vooral de stereotiepen van de inmates (gevangenen, psychiatrische patiënten) als inferieur. Die stereotiepen dienen mede om een ontmenselijkend regime in stand te houden en het te rechtvaardigen, en zij maken daar tegelijkertijd deel van uit. Welke strafrechtelijk relevante stereotiepen, die mensen vastpinnen op één onomstotelijke werkelijkheid en dus andere visies op die mensen wegdrukken, kunnen we vandaag in de samenleving aanwijzen? Ik wil er drie noemen. Ik doe dat wellicht enigszins polemisch. Bovendien doe ik dat zwart/wit, omdat ik duidelijk en toch beknopt moet zijn. In werkelijkheid zijn er natuurlijk allerlei nuances.

Het eerste stereotiep is dat van de uitkeringstrekker: de werkeloze of de arbeidsongeschikte. In de beeldvorming in het publieke debat, vooral in de media en de politieke discussies, wordt over de uitkeringstrekker voornamelijk gesproken in termen van fraude en fraudebestrijding. Dat is, in vele opzichten, een verbluffend resultaat! Het is een resultaat dat toch wel erg wrang is als men het bekijkt in de lijn van de ontwikkeling van ons politieke en maatschappelijke denken. Hannah Arendt heeft geanalyseerd hoe na de Amerikaanse en de Franse revolutie in de Verenigde Staten het vrijheidsideaal de boventoon heeft gevoerd, terwijl in West-Europa dat vrijheidsideaal ondergeschikt is aan het gelijkheidsideaal. Vandaar dat sinds de Franse revolutie de zogenaamde 'sociale kwestie' - dus de vraag naar de sociale rechtvaardigheid, versterkt door die primaire positie van het gelijkheidsbeginsel - hier voortdurend kernpunt in de politieke discussies en de maatschappelijke hervormingen is geweest.

Die sociale kwestie is nu eigenlijk zo goed als opgelost! Dat komt niet doordat er min of meer een consensus is bereikt over sociale rechtvaardigheid. Dat komt - naar mijn mening - doordat we de positie van de minstbedeelden, in het bijzonder van de uitkeringstrekkers, benaderen vanuit het perspectief van fraude en fraudebestrijding. Het beeld dat steeds weer uit de discussies en berichtgeving naar voren komt, sluit niet aan op de televisie-beelden van die ontredderde werknemers van DAF toen de helft van het personeel de laan werd uitgestuurd. Dat beeld sluit evenmin aan bij de in sociaal isolement geraakte bijstandsmoeder die net de eindjes aan elkaar kan knopen: als er maar niets bijzonders gebeurt, als de wasmachine of de koelkast het maar niet begeven. Maar het is het beeld van de rationele, calculerende fraudeur. Daarbij wordt nog wel eens een opmerking gemaakt in de trant van 'de goeden niet te na gesproken', maar dat doet aan deze invalshoek en aan deze beeldvorming eigenlijk niet meer af.

Het stereotiep van de fraudeur staat niet alleen in dienst van een vergemakkelijking van bezuinigingen die - wellicht - noodzakelijk zijn, maar ook in dienst van het afkalven van de rechtspositie. Dat is bijvoorbeeld - uitdrukkelijk ten behoeve van de fraudebestrijding - het geval bij de omkering van de bewijslast bij het samenwonen. De uitkeringstrekker moet zelf gaan aantonen niet samen te wonen. Iedere jurist moet zich wel realiseren dat dit, als bewijslast, neerkomt op een 'probatio diabolica': in de praktijk van het leven kan vrijwel niemand het bewijs leveren dat hij of zij nèt - toch, stiekem - samenwoont. En als het erom gaat dat niet-samenwonen 'aannemelijk' te maken, schept het nog eens een nieuwe afhankelijkheid: afhankelijkheid van de goedwillendheid van de ambtenaar om dan tenslotte maar aan te nemen dat er van samenwonen geen sprake is. Alleen door een nieuwe stereotiepe beeldvorming, die sociale problematiek doet verdwijnen in criminaliteitsbestrijding, wordt een dergelijke bewijsomkering maatschappelijk 'haalbaar' en kan zij worden voorgesteld als 'acceptabel', met alle voordelen voor de beleidsvoering en alle nadelen voor de zwaksten.

Het tweede stereotiep is dat van de verdachte of pleger van een strafbaar feit als 'vijand'. Verschillende schrijvers hebben daar al harde woorden over gesproken. Dat vijandbeeld wordt nog versterkt als men, zoals een hoge justitie-functionaris doet, de suggestie wekt dat de wetsovertreder buiten de rechtsgemeenschap valt. De goede burgers zouden namelijk verenigd zijn in het 'maatschappelijk verdrag', maar de crimineel zou daarbuiten staan. De hele werkelijkheid van de wetsovertreder wordt dan omvat door zijn 'vijand-zijn'.

Dat is, opnieuw, de absolute claim, het totalitaire. Het stereotiep van de pleger van een strafbaar feit als een 'vijand', die geen deel uitmaakt van de rechtsgemeenschap, maakt de voorstelling in tal van beleidsstukken mogelijk, dat de belangen van de burger bij veiligheid en de belangen van de verdachte bij rechtsbescherming tegen elkaar afgewogen kunnen worden. Alsof dat om twee volstrekt gescheiden groepen mensen zou gaan: de goede burgers binnen het maatschappelijk verdrag, en de criminelen daarbuiten. Als men het zó formuleert, ligt het resultaat van de afweging al op voorhand vast.

Dit 'vijand'-stereotiep is een instrument om aan Justitie, in haar oorlog tegen 'de vijand', steeds meer middelen en bevoegdheden toe te kennen en om 'de vijand' steeds verder te ontwapenen, in de zin van diens rechtsbescherming steeds verder af te nemen. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden dat nu juist eigen is aan de rechtsstaat, waarvoor Justitie zegt op te komen, dat alle burgers, ook wie de wet heeft overtreden of wie daarvan verdacht wordt, rechtsbescherming tegen de overheid toekomt. Evenmin wordt er rekening mee gehouden dat de vrijheid van de burgers in de maatschappij niet alleen bedreigd wordt door criminaliteit, maar eveneens kan worden ondergraven door te ingrijpende bevoegdheden van de overheid.

Als derde voorbeeld wil ik een stereotiep noemen dat nog niet zo is ingeburgerd, maar dat de laatste tijd wel, met verschillende variaties en nuances, gepropageerd wordt. Ik vat die samen als het stereotiep van de gedetineerde als onverbeterlijk. Daarmee zijn we dan weer terug bij de totale instituties en bij de daarvoor kenmerkende stereotieperingen van inmates als inferieur. Maar hier gaat die stereotiepering niet uit van de staf van de inrichting, maar van justitiële beleidsfunctionarissen. Uitgedragen wordt, dat alternatieve straffen te 'soft' zouden zijn: die moeten strenger en zwaarder worden. Dan kunnen er ook minder korte gevangenisstraffen worden opgelegd. De korte gevangenisstraffen zouden zelfs goeddeels kunnen worden afgeschaft. De gevangenis moet vooral een instituut worden voor gedetineerden die een straf van zes maanden of meer hebben gekregen. Dat alles geeft natuurlijk een enorme besparing: men denke aan het cellentekort. Maar ook ten aanzien van de afgestraften met zes maanden of meer kan ingrijpend worden bespaard. Want: “Bij deze groep mensen (...) moeten we (...) de illusie laten varen dat ze te resocialiseren zijn.”

Zo'n stereotiep is totalitair omdat het claimt de hele werkelijkheid van de gedetineerden weer te geven: die gedetineerden vormen een categorie die is zoals de beleidsfunctionaris zegt dat zij is: zij zijn - allemaal - niet te resocialiseren! Die stelling wordt geponeerd als vanzelfsprekend. De aandacht en het respect voor de uniciteit en authenticiteit van de individuele mens, centraal in de Utrechtse School, zijn weg. Met zo'n totalitair fenomeen gaat, zoals gezegd, altijd een instrumentalisme gepaard: hier een dienstbaarheid aan een gewenst nieuw beleid en aan de rechtvaardiging van bezuinigingen. De gevangenis moet beoordeeld worden op rendement.

Het debat over totale instituties - en in het algemeen over 'totale' of 'totalitaire' verschijnselen als absolute claims die de werkelijkheid monopoliseren - valt dus te plaatsen in het kader van een veel breder debat: het debat over het juridisch instrumentalisme als heersende denkvorm in het strafrecht en in het strafrechtelijk beleid. Haaks daarop staan dan ook andere visies op recht, die het recht willen begrijpen in de context van de rechtsstaat en die willen vasthouden aan eigen waarden van het recht, zoals individuele rechtsbescherming.

Die rechtsbescherming moet in de eerste plaats worden verwezenlijkt binnen het juridisch stelsel, door goede positiefrechtelijke regelingen van de rechtsposities van de inmates. Maar er is naar mijn mening nog een ander aspect aan rechtsbescherming, een aspect dat de juridische regelingen en de feitelijke maatschappelijke ordening te boven gaat, transcendeert. Op het eerste gezicht kan dat wat ijl en theoretisch lijken, maar in mijn ogen is het fundamenteel en tegelijkertijd van praktisch belang. Het hangt samen met die totalitaire tendensen, ook binnen een democratische rechtsstaat, die ik net besproken heb.

Wat de positieve juridische regelingen te boven gaat is dit: wanneer het recht bescherming moet bieden tegen de totalitaire trekken die we soms ook in onze vrije maatschappij kunnen waarnemen, en die het gevolg zijn van de verstarring van één visie die de hele werkelijkheid gaat monopoliseren, dan heeft het recht tot taak om die monopolisering van de werkelijkheid te doorbreken, die absolute claims te ontkrachten. Het recht moet weten te voorkomen dat één enkele visie, één enkele interpretatie van werkelijkheid, zichzelf kan gaan voorstellen als de werkelijkheid zelf. Want dat is nu juist het totalitaire! Als zo'n monopolisering dreigt te gaan optreden, moet die 'ontregeld' worden.

In mijn opvatting dient dat te gebeuren doordat het recht zijn begrippen open-houdt. Dat betekent niet dat ze geen min of meer vaste betekenis in een heersende leer kunnen krijgen. Want dat is uiteraard nodig om beslissingen te kunnen nemen. Maar die openheid betekent dat de begrippen geen absolute claims op de werkelijkheid mogen leggen. Het betekent dat ze, ook in een heersende leer, altijd interpretaties moeten blijven - zodat steeds ook andere interpretaties, als concurrerend, aan de orde kunnen worden gesteld. In die zin dient het recht bescherming te verlenen tegen een systeem, naast de rechtsbescherming binnen het systeem.

    • A.C. 't Hart