'Er zijn teveel geruchten in Nederland'; Minister Rafiq Haddaoui over de identiteit van de Marokkaanse emigrant

De Marokkaanse gemeenschap in Nederland wordt gekenmerkt door een gebrek aan interne samenhang. Anders dan bijvoorbeeld de Turken kregen zij sinds hun vertrek weinig steun uit eigen land. De schaarse aandacht die er wel was, verdeelde de Marokkanen in twee kampen: pro of contra het regime van koning Hassan II. Volgens minister Rafiq Haddaoui, die sinds 1990 belast is met zorg voor de Marokkanen in het buitenland, is de desintegratie vooral een Nederlands probleem, ontstaan 'door een samenspel van negatieve factoren: de zogenaamde opposanten, de Amicales, Nederlandse politieke partijen soms ook, en een pers die de neiging heeft vooral de negatieve aspecten te benadrukken'.

'Waarom zijn bij de hasjhandel in Nederland in logistiek en organisatorisch opzicht toch zo weinig Marokkanen betrokken?', vraagt geograaf en Marokko-kenner Paolo De Mas zich op badinerende toon af. 'Terwijl veel hasj uit Marokko komt, blijkt bij vrijwel iedere smokkellijn die er opgerold wordt dat zich onder de belangrijkste organisatoren nauwelijks in Nederland gevestigde Marokkanen bevinden. En Marokkaanse voetballers, waarom spelen er zo weinig in de eredivisie? Als ergens veel voetbaltalent en -enthousiasme is dan is het wel onder de jonge Marokkaantjes, maar waarom breken ze zo mondjesmaat door op het hoogste niveau?'' De Mas kent het antwoord al jaren: 'Ik denk dat het vooralsnog binnen de Marokkaanse gemeenschap in Nederland onder meer schort aan voldoende interne cohesie, coöperatieve instelling en organisatievermogen. Als je dat vergelijkt met de Turkse gemeenschap bijvoorbeeld, die is daar veel beter in. Dat wreekt zich bij werkelijk belangrijke zaken als de Marokkaanse participatie in het onderwijs, in het politieke en sociale leven, en zeker bij het oprichten en instandhouden van eigen organisaties.''

Ook andere onderzoekers is het opgevallen. Eigenlijk weten ze het al decennia, maar het was vroeger niet zo gepast om op dit soort feilen te wijzen. Organisaties van Marokkanen zijn vaak strakker en formeler dan die van Turken, ze worden geplaagd door faktiestrijd, concurrentie tussen verscheidene leiders, en de tegenstelling Berbers versus Arabisch sprekenden. Dat ondervond bijvoorbeeld Rienk Venema bij zijn onderzoek naar jonge Turken en Marokkanen in Nederland.

Als de tegenstellingen in het verleden naar buiten kwamen was het altijd in de vorm van een strijd tussen voor- en tegenstanders van het Marokkaanse regime. Dat regime hield er een sinistere reputatie aan over, wat de Nederlandse overheid nog afkeriger van samenwerking maakte dan ze al was. Nederland hield de gewenste integratie van de emigranten liever zelf in de hand, via het welzijnswerk. Hulp van thuis kregen ze dus niet, in tegenstelling tot de Turken, en dat is een belangrijke reden waarom juist in de Marokkaanse gemeenschap de samenhang uitbleef.

De schaarse pogingen tot hulp waren ook wat onhandig. Vanuit Marokko gestimuleerde verenigingen van emigranten, de 'Amicales', verwerden snel tot verenigingen van verklikkers, die zoveel tips gaven dat zelfs de toch goed uitgeruste veiligheidsdiensten van het land er niets mee aan konden. Tien jaar na hun ontstaan in '74 werden ze door koning Hassan II van Marokko publiekelijk afgevallen. Intussen was met het succes van de Europese politiek van gezinshereniging de emigratie een permanent verschijnsel geworden, met permanente problemen, en begonnen de emigranten steeds luider te klagen over gebrek aan steun uit hun land. Dat was niet zonder belang: de emigranten maken jaarlijks voor meer dan drie miljard gulden naar Marokko over - 43 procent van de Marokkaanse export (cijfers van '92).

Uiteindelijk richtte men in 1990 een apart ministerie op: het Ministère de la Communauté Marocaine à l'étranger. Het moet de bijna twee miljoen Marokkanen in het buitenland op allerlei manieren bijstaan; globaal gaat het om versterking van hun identiteit en het geven van advies en begeleiding bij hun investeringen in het eigen land. Minister is Rafiq Haddaoui (53), tot '90 een carrièrediplomaat - het laatst was hij ambassadeur te Moskou. Haddaoui wordt gezien als een van de verlichte geesten binnen het Marokkaanse regime.

Op zijn ministerie te Rabat gaat Haddaoui vrijwel geheel schuil achter een rij boeken. Het is een man met overwicht. Hij zegt: 'De samenhang in de Marokkaanse gemeenschap is slecht omdat sommige Marokkanen in Nederland het zo druk hebben met elkaar uit te schelden. Het gaat om enkelen die zich oppositioneel noemen en een zeer negatieve rol spelen, en anderen die zich opwerpen als intermediair tussen emigranten en Marokkaanse regering.''

Hoe komt dat toch?

'U moet zich afvragen: waarom is dat speciaal in Nederland zo?''

Omdat de Nederlandse Marokkanen voor 70 procent uit het Rif - in het noorden van Marokko - komen?

'Misschien hebben de Riffijnen hun eigen karaktertrekken, maar hun overheersende eigenschappen zijn ook hun kwaliteiten.''

Zoals hun verregaand individualisme?

'Luistert u eens, er is in Nederland een heel speciale situatie ontstaan door een samenspel van negatieve factoren: de zogenaamde opposanten, de Amicales, Nederlandse politieke partijen soms ook, en een pers die de neiging heeft vooral de negatieve aspecten te benadrukken. Voor ons gaat het er nu allereerst om die conflicten te sussen, om de mensen tot rust te brengen.''

Met dezelfde verklikkers uit de Amicales die nu weer in andere organisaties actief zijn?

Streng en dreigend zegt Haddaoui: 'Ik zal de eerste zijn om achter zulke mensen aan te gaan. Ik zal ze vervolgen! Ik zeg iedere keer tegen de Marokkanen: Wijs hem aan, en ik zal zijn belangrijkste vijand zijn!

'Het zijn lieden die doen alsof ze de verplichte intermediair tussen de Marokkaanse overheid en Marokkaanse gemeenschap zijn, en ik heb steeds gezegd: er is geen enkele intermediair, geen enkele!

'Maar laten de zogenaamde opposanten ook niet de gelegenheid krijgen om almaar tweedracht te zaaien. Uiteindelijk zijn het uitsluitend deze mensen die door de Nederlandse autoriteiten als vertegenwoordigers van de Marokkanen geaccepteerd worden. Net zoals er in de Amicales verkeerde mensen zaten, zo kun je omgedraaid zeggen dat deze lieden voor veel Marokkanen slechts agenten van de Nederlandse overheid zijn. Maar laten we er over ophouden en ons niet in zulke absurde logica laten opsluiten.''

De Berbers uit het noordelijke Rif-gebied zijn anders dan de Marokkanen uit de gearabiseerde vlakten en grote steden. In een onderzoek van Frank Buijs naar Marokkaanse jongemannen zegt een van, zelf afkomstig uit een stadje in het oostelijke Rif: 'De mensen daar zijn nog dicht op zichzelf, ze zijn gesloten. Ze volgen nog de oude tradities, ze zijn achtergebleven. Je merkt het bijvoorbeeld in hun agressiviteit; ze zijn echt agressief, ze kunnen niet gewoon praten.'' En de antropoloog David Seddon schrijft dat de Riffijnse opvatting van eer de bereidheid vergde om ten koste van alles de reputatie van zijn huis en familie te verdedigen: 'het vertoon van openlijke gewelddadigheid was een blijk van iemands eer.''

In Marokko, binnen en buiten het Rif, wijst men liever op de rechtlijnigheid van de Riffijnen. Maar nog steeds is volgens iedereen bescherming van huis, vrouw en kinderen het allerbelangrijkste voor de Riffijn. In het Rif, zowel als in Nederland. De Marokkaanse sociologe Farida Khamlichi, die een vergelijkend onderzoek hield, zegt: 'Alleen zijn ze in Nederland wat angstig en onzeker, en dus eerder nog wat conservatiever dan in het Rif.''

De Riffijnen zijn overigens geen seperatisten. Toen de Franse kolonisatoren in 1930 de Berber-wet uitvaardigden, waarbij een soort rassenscheiding tussen Berbers en gearibiseerde vlakte- en stadsbewoners werd doorgevoerd, was dat voor arabieren èn Berbers de aanleiding voor de vorming van de nationalistische beweging. Berbers zijn ook gewoon Marokkanen. De tegenstelling moet gezien worden als die tussen stad en platteland. En als in Nederland het Marokkaanse leidinggevend kader in de organsaties vooral van stedelijke en Arabisch sprekende herkomst is, werkt dat niet goed. Een geboren en getogen Amsterdammer is ook een onwaarschijnlijke kandidaat voor het burgermeesterschap van een Limburgs dorpje.

Niet bekend

Taarji: 'De Marokkanen in Nederland waren zeer wantrouwend, een heel gesloten gemeenschap. Als ik zei dat ik voor het ministerie een opdracht uitvoerde gingen meteen alle luiken dicht. Ja, gek vind ik het niet. Toen ik in Brussel studeerde wilde ik ook absoluut niets met de ambassade of het consulaat te maken hebben. Ik keek wel uit.

'En Marokkaanse intellectuelen zijn er niet in Nederland. Of ze zijn er wel en willen niks met Marokko of de Marokkaanse gemeenschap te maken hebben. In Frankrijk ligt dat anders, daar heb je aan de universiteiten Marokkanen die onderzoek doen naar de emigranten. In Nederland ben ik volledig afhankelijk van informatie van Nederlandse onderzoekers. De literatuur is dan ook nog meestal in het Nederlands, zodat ik het niet kan lezen.

'Nee, daarmee is niet gezegd dat we precies het Nederlandse beeld overnemen. Er is soms een verschil in perspectief. In Nederland zijn ze heel erg op het delinquente gedrag van de Marokkaanse jongeren gericht. Ik zie dat liever wat breder, bijvoorbeeld dat het gezag van het gezin wordt ondergraven omdat de Nederlandse autoriteiten vinden dat er sprake is van kindermishandeling als een kind geslagen wordt en het daarom beschermd moet worden tegen zijn ouders.''

Voor de Marokkanen in Nederland, voor Nederland zelf en voor Marokko zou het goed zijn als het Rif zich economisch zo ontwikkelde dat de achterblijvers er een redelijk bestaan hebben, en de emigranten hun spaargeld produktief kunnen maken. De EEG en Amerika zouden bovendien graag willen dat de cannabisteelt in het centrale Rif (vooral door Nederlandse consumptie en handelsgeest aangewakkerd) drastisch wordt tegengegaan, wat betekent dat er enkele miljarden guldens aan Marokkaans inkomen gederfd zouden worden. Koning Hassan II wil op die wens graag ingaan, heeft hij gezegd, maar vraagt daarvoor een paar miljard dollar om de streek te ontwikkkelen.

Paolo De Mas is doende de mogelijkheden voor EEG-hulp te bekijken. En het ministerie heeft zich ten doel gesteld investeringsprojecten van emigranten te stimuleren en begeleiden. Minister Haddaoui is daar optimistisch over. Natuurlijk, er zijn problemen, maar die worden aangepakt. Zeker, de investeringen in dat gebied zijn tot nu toe hoofdzakelijk in onroerend goed, met alle speculatie van dien, maar daar moeten we ons niet op blind staren. En hij wijst op die geslaagde kippenfokkerij in de Riffijnse stad Nador, en de ontwikkeling van toeristenindustrie en landbouw elders.

Anderen zijn minder optimistisch. Opnieuw lijkt het Rif een uitzonderingspositie in te nemen. Een betrekkelijk kleine groep van Nederlandse Marokkanen komt uit de Souss, een gebied in het Zuiden, bij de badplaats Agadir. Deze emigranten slagen er wel in de werkgelegenheid in hun streek van herkomst te bevorderen. Ze steken geld in de toeristenindustrie en de landbouw. Andere omstandigheden, andere mentaliteit, meent De Mas. Voor het overbevolkte Rif ziet hij beperkte mogelijkheden, behalve een rigoureuze omkering van de historische trek naar de bergen - terug naar de vlakten, waar de Berbers 1300 jaar geleden door Arabische veroveraars uit verdreven zijn.

Maar in het Rif staat men met de rug naar de rest van het land, al sinds eeuwen. De Riffijnen mogen dan de conservatiefste Marokkanen zijn, dat belet hen niet een westers consumptiepatroon na te streven, en dank zij de overmakingen van de emigranten lukt dat de thuisblijvers beter dan andere Marokkanen. En voor wat ze nog tekort komen houden ze de blik stevig op het noorden, op Europa gericht.

In Nederland kiften de ouderen intussen met elkaar, zijn veel jongeren delinquent, en verzint de Nederlandse overheid het ene project na het andere om ze in het gareel te krijgen. Zo langzamerhand breekt het inzicht door dat de Marokkanen het vooral zelf moeten oplossen.

Dat is voor minister Haddaoui geen nieuws: 'Wij vinden dat het een slechte zaak is om iemand te willen integreren die gedesintegreerd is ten opzichte van zijn afkomst. Dat is niet goed voor het land van herkomst en het ontvangende land. Het zijn de ontwortelden die snel tot delinquentie neigen. Je moet dus niet zeggen, meneer u bent nu bij mij, vergeet uw afkomst, en ik integreer u hier.

'Maar als integratie betekent de taal leren, de wetten respecteren, de kinderen naar school sturen, dat soort dingen - dan gaan we volledig akkoord.''

Ook met politieke participatie?

'Dat is een individuele keus.''

Had de koning daar niet een andere mening over? Met het gevolg dat in 1986 slechts 17 procent van de Marokkannen aan de gemeentelijke verkiezingen meedeed?

'Hij sprak ten eerste in Frankrijk, in 1981, en bovendien ging het toen om verkiezingen voor het Franse parlement waarbij de koning de Marokkanen waarschuwde zich niet door de Franse politici te laten gebruiken. Als het gaat om het verdedigen van zijn lokale belangen, zijn onderkomen, het onderwijs van zijn kinderen, zijn werk, dan moet de Marokkaan daarvoor opkomen, en ook stemmen.

'Uw minister van binnenlandse zaken, mevrouw Dales, vroeg mij hetzelfde, en ik heb haar gezegd, mevrouw, dit is ons standpunt. Oh, zegt ze, maar de geruchten willen anders. Mevrouw, er zijn teveel geruchten in Nederland. Teveel geruchten! Men vraagt niets aan de Marokkaanse regering, men loopt naar een onbeduidend Marokkaantje op de hoek van de straat en vraagt, wat denkt de Marokkaanse regering? Vroeg ze, kunt u mij dat schriftelijk bevestigen? Ik heb gezegd, ja mevrouw, ik schrijf u een brief met die strekking. En dat heb ik gedaan.

'De Marokkanen voelen zich een beschaafd volk, met sterke wortels. En wij zeggen tegen de emigranten: weest u bewust van uw persoonlijkheid, van uw identiteit, waar u ook bent. Een belangrijk deel van die identiteit is de godsdienst. Een sterk karakter hebben, dat is de islam. En vanaf dat moment kan men zich openstellen voor iedereen. Met een zwakke persoonlijkheid kan men geen anderen accepteren, dan gedraagt men zich krampachtig.

'De kinderen moeten naar de Nederlandse scholen om van alles te leren, maar die kracht kunnen alleen hun ouders hen geven. Dan alleen leren ze de omgeving waar ze zijn te respecteren.

'En we hebben ook tegen de emigranten gezegd dat de plaatselijke eigen organisaties een bemiddelende en verzoenende rol moeten kunnen spelen bij conflicten die zich binnen de gezinnen afspelen. De stabiliteit van het gezin is van het grootste belang. Loop niet meteen naar de autoriteiten om te klagen over vrouw of kinderen, zodat het gezin verdeeld en verscheurd raakt. Probeer met hulp van uw eigen mensen het gezin bijelkaar te houden. Dat is wat wij de Marokkanen in Europa voortdurend voorhouden.''

Voor Haddaoui, en voor alle Marokkanen, is identiteit vrijwel synoniem met de godsdienst. En het is voor Haddaoui ook geen verrassing dat het fundamentalisme vooral in emigrantengemeenschappen wortel schiet. Vroeger dacht men dat de emigranten linkse ideeën mee naar huis zouden brengen, maar dat is lang geleden. Het is duidelijk dat emigranten, overal ter wereld, eerder conservatief blijven in hun ideeën. In Nederland is nu ook, zeker onder de ouderen, een herleving van de godsdienst merkbaar.

Haddaoui: 'En ze vragen ons om hulp om hun eigen godsdienst beter te begrijpen. U weet dat de meeste mensen hun geloof beleven maar niet alle subtiliteiten goed kennen, en emigranten zijn ook nog zo overhoop gehaald dat ze vol vragen zitten. Dan komen er mensen die zeggen je moet het zus doen, of zo, en dan gaan ze twijfelen. De islam is nu eenmaal ook een verzameling van verschillende richtingen, scholen. In Europa is een sfeer van openheid, van vrijheid, iedereen kan zeggen wat ie wil, en de mensen komen overal vandaan, uit het Midden-Oosten, uit Afrika, Azië. Dat wordt een kakafonie, er vormen zich groepen, de een tegen de ander.

'Het is dus niet verwonderlijk dat de Marokkanen in Nederland ons verwijten dat wij geen imams sturen, net als Turkije. Kom alstublieft bij ons orde op zaken stellen, vragen ze ons.''

Sommige Marokkanen in Nederland geloven pertinent niet in de goede bedoelingen van het ministerie. Mohamed Rabbae, vroeger directeur van het Nederlands Centrum voor Buitenlanders nu lijsttrekker van Groen Links, stelt zich al tientallen jaren teweer tegen iedere Marokkaanse overheidsbemoeienis. Een half jaar geleden verscheen van hem een door andere Marokkanen fel bestreden boek over de Unie van Marokkaanse Moslimorganisaties in Nederland (UMMON), een organisatie die een voorkeur heeft voor de in Marokko gangbare opvatting van de islam, en die ook contact met consulaten en ambassade zoekt. Volgens Rabbae zijn het allemaal dezelfde verklikkers die indertijd de Amicales bevolkten, en probeert de Marokkaanse overheid via de UMMON greep te krijgen op de Marokkaanse moskeeën in Nederland, teneinde dissidentie effectief te kunnen bestrijden.

Dat laatste kan Rabbae niet echt bewijzen, maar met het gevaar van het fundamentalisme zou het niet opmerkelijk zijn als Marokko in navolging van Turkije een dergelijke controle nastreefde. En dat de mentaliteit van de Amicales nog door Nederland waart, wordt door Haddaoui evenzeer geconstateerd.

Ook het ministerie zelf is niet ineens een complete oase in de Marokkaanse overheidsbureaucratie. Een kleine kern van ambtenaren heeft het idee dat slechts zij het ware vuur en de goedwillendheid kennen die nodig zijn om echt iets te bereiken. Het is een minderheid die beseft dat ze een minderheid is en er daarom aan twijfelt of het deze minister gaat lukken.

Maar de opposanten van het regime hebben een goede reden om dezer dagen iedere kleine mogelijkheid op vooruitgang uit te buiten. Het fundamentalisme in Algerije zou wel eens erg aanstekelijk kunnen zijn; en een burgeroorlog daar zal Marokko overspoelen met miljoenen vluchtelingen. Hinde Taarji walgde van de vrouwen die net als zij goed opgeleid waren en toch het fundamentalisme aanhingen, en zocht daarom overal in de arabische wereld dergelijke vrouwen op, sprak met hen, en schreef er een bekroond boek over: Les voilées de l'islam. Ze kreeg begrip voor de vrouwen, maar werd over hun invloed niet geruster: 'In Algerije gebeurde het in '88 ook ineens. Voor die tijd had niemand wat in de gaten. Natuurlijk, wij hebben hier niet die identiteitsproblemen als in Algerije, geen koloniaal trauma; maar politiek, sociaal en economisch is de situatie catastrofaal. Tienduizenden jongeren op de universiteiten en ze hebben nauwelijks of geen perspectieven!

'We zijn dus heel voorzichtig, we proberen gebruik te maken van iedere kleine opening die er gegeven wordt. Daarom werk ik met deze minister mee. Het regime is nog steeds manipulerend, intimiderend, noem maar op, maar hier en daar zijn er wat liberale geesten met macht. Er is een soort verbroedering aan de gang tussen het regime en de burgermaatschappij, hier en daar.

'Er is weinig keus. Als ik moet kiezen tussen de baarden en Hassan II, dan kies ik zonder aarzelen voor de koning. We zijn geïntimideerd. Er zijn al Algerijnse vrienden van mij hierheen gevlucht. We zijn bang.''