De Haïtiaanse connectie; De tweede generatie Duvalieristen verdedigt zijn drugsimperium

François (Papa Doc) Duvalier is niet dood. De geest van de man die Haïti tussen 1957 en 1971 met ijzeren hand bestuurde, waart nog rond op het eiland. Veel Haïtianen geloven dat hij Baron Samedi is, de beheerder van het kerkhof in de voodoo-cultuur. Duvaliers volgelingen voeren een verbeten strijd met de internationale gemeenschap om de macht op het eiland. Inzet is een omvangrijk smokkel-imperium van vooral verdovende middelen. De grootste bedreiging voor deze narco-elite is de terugkeer van de democratisch gekozen president, Jean-Bertrand Aristide. Dat willen zij tot elke prijs voorkomen.

Overal duiken hun namen op in Haïti. De 'teledyól', zoals de razende geruchtenmachine op het eiland wordt genoemd, brengt vandaag berichten over de terugkeer van ex-president generaal Prosper Avril. Oud-burgemeester Franck Romain is gesignaleerd. En zelfs Papa Docs zoon, Jean Claude 'Baby Doc' Duvalier, de tweede en laatste in de dynastie van presidenten-voor-het-leven, zou terug zijn in Haïti. Veel geruchten, gevoed door een gespannen en gevaarlijke situatie, blijken niet meer dan dat: geruchten. Niemand heeft Baby Doc gezien, hoewel hij ook al weken lang niet is waargenomen in zijn villa in Zuid-Frankrijk, waar hij woont sinds zijn plotselinge vlucht uit Haïti in februari 1986.

Andere Duvalieristen verschijnen in persoon in Port-au-Prince. Oud-generaal Williams Regala beheert het benzinestation van een vriend op de Avenue John Brown waar, als gevolg van het olie-embargo van de Verenigde Naties, de laatste druppels brandstof worden verhandeld. Franck Romain, voormalig eerste burger van Port-au-Prince en destijds het brein achter de aanslag op de kerk van St. Jean Bosco van Jean-Bertrand Aristide, verschijnt voor een ontbijtafspraak in het hoofdstedelijke hotel Oloffson. Daar onderhoudt hij zich met Aubelin Jolicoeur, een ander personage uit de duistere Duvalier-tijd (door Graham Greene vereeuwigd als de intrigant Petit Pierre in de roman The Comedians). Weer anderen zijn er wel, al vertonen zij zich niet in het openbaar.

Vermoedelijk is er geen land ter wereld waar het gerucht moeilijker van de waarheid te onderscheiden is dan Haïti. De beweringen van wat elders een goed-geïnformeerde bron is, worden door andere bronnen tegengesproken of op z'n best slechts ten dele bevestigd. Ook in Haïti woonachtige buitenlanders en buitenlandse overheidsinstanties brengen tegenstrijdige of moeilijk te verifiëren berichten naar buiten. Een onderzoek naar drugs in Haïti is daarom ook zo ingewikkeld, omdat de beste bronnen, doorgaans de politie, mede betrokken zijn bij hetgeen ze eigenlijk moeten bestrijden.

Het land dat door de Amerikaanse schrijver Herbert Gold is bedacht met de rake kwalificatie 'de beste nachtmerrie op aarde'', is momenteel zeer gevaarlijk. In de eerste plaats voor zijn eigen inwoners, van wie de meesten nog steeds fervent aanhanger zijn van de in september 1991 verdreven priester-president Jean-Bertrand Aristide. In de sloppenwijken van de hoofdstad Port-au-Prince en in de ontboste provincies hopen zij op de terugkeer van hun president. Zij leven onder een voortdurende terreur van een kleine groep Haïtianen die de macht in handen heeft. Angst is het basisingrediënt van het dagelijks leven op het eiland. Slechts bij hoge uitzondering zijn informanten bereid zich met naam en toenaam te laten citeren.

Haïti is ook gevaarlijk in de Latijns-Amerikaanse context van een steeds machtiger wordende drugsmafia, die met geld en geweld bestuurslagen en machtsposities penetreert en deze vervolgens overneemt. Achter de clichés van de actuele Haïtiaanse politiek, van rijk versus arm, links tegen rechts, zwart contra mulat, van de opponenten president Aristide en legerleider Cédras, speelt zich de werkelijke strijd af: die om een omvangrijk misdaadimperium waarin het cocaïnekartel van Cali grote belangen heeft.

Coups

Op het eerste gezicht laat de machtssituatie in Haïti zich gemakkelijk uittekenen. Na bijna drie decennia 'Doctatuur' werd het land vanaf 1986 door een serie al dan niet militaire presidenten geregeerd. Coups, meestal van het ene legeronderdeel tegen het andere, waren aan de orde van de dag. Pas in december 1990 konden de eerste werkelijk democratische verkiezingen in de toen al bijna twee eeuwen oude geschiedenis van het onafhankelijke Haïti worden gehouden. Met zijn volksbeweging Lavalas veroverde de voormalige Salesianer priester Jean-Bertrand Aristide 67 procent van de stemmen. Aristide werd in februari 1991 geïnstalleerd als president. Acht maanden later kwam de staatsgreep die hij tenauwernood overleefde en waarbij hij werd gedwongen het land te verlaten.

De nieuwe sterke man in Haïti leek de bevelhebber van het ruim zevenduizend man tellende leger te zijn: luitenant-generaal Raoul Cédras, nog door Aristide tot legerleider bevorderd. Al snel bleek echter dat niet Cédras, maar de politiechef van de hoofdstad Port-au-Prince, Joseph Michel François, de macht in handen had. In Haïti maakt de politie deel uit van het leger. François was ten tijde van de staatsgreep de militaire commandant van het politiebureau Cafetaria, gelegen aan de Boulevard Jean-Jacques Dessalines, één van de belangrijkste winkelstraten in Port-au-Prince. In het bureau Cafetaria begon de coup tegen Aristide. Niet Cédras, maar François was de instigator. Bronnen die zeer dicht bij de politiecommandant staan, vertellen dat François de opperbevelhebber van het leger opbelde en Cédras voor de volgende keuze stelde: 'Ik ben een coup begonnen. Je doet mee en neemt de leiding over, of we vermoorden je.''

In de twee jaar die volgden op de coup van september 1991 versterkte Michel François zijn machtspositie volgens de geijkte methode van geld en geweld. Met geld kocht hij de loyaliteit van zijn eigen politiemensen, van de hulppolitie die in Haïti attachés worden genoemd, en van officieren en lagere militairen van andere legeronderdelen. Hoewel veertig procent van het overheidsbudget naar defensie gaat, worden de lagere rangen slecht betaald en is elke aanvulling op het soldij welkom.

François vestigde ook een geweldsmonopolie via zijn attachés die, in burgerkleding en uitgerust met automatische wapens en terreinwagens, een ware terreur ontketenden in de hoofdstad en in de provincies. Tussen de 1.500 en 3.000 mensen zijn vermoord sinds de staatsgreep, onder wie vermoedelijk een paar honderd soldaten die trouw waren gebleven aan president Aristide. Hun lichamen werden gedumpt op de vuilstort Ti-Tanyen, langs de baai even buiten de hoofdstad, waar een verdwaalde wandelaar moet oppassen niet te struikelen over botten, schedels en lichaamsdelen.

François opereert niet alleen. Achter de politiecommandant ontvouwt zich een netwerk van militairen en burgers, van wie velen hun criminele sporen hebben verdiend in de tijd van Papa Doc Duvalier. Zij zijn de machtige zakenlieden in Haïti die zowel legale als illegale handel drijven. Verschillende bronnen noemen de namen van de horecafamilie Buteau, van de Bennetts (de schoonfamilie van Jean-Claude Duvalier), van Michel Dominique, eigenaar van het ANNDEX-koeriersbedrijf, en van Oriol Michel, president van de nationale cementfabriek en een goede vriend van kolonel Michel François. Voor elke zak cement die Ciment d'Haiti verlaat, verdwijnt een dollar in de kas van Michel François.

De mafia in Haïti heeft behalve een militaire en een zakelijke, ook een politieke tak. De leiders van de zogenoemde neo-Duvalieristische partijen als het Front voor Vooruitgang en Progressie in Haïti (FRAPH) en de Revolutionaire Raad van de Elfde Oktober, respectievelijk Emmanuel Constant en Carl Denis, worden herhaaldelijk genoemd in verband met het complex van (drugs-)smokkel, terreur en rechtse politiek. Op zijn hoogst hebben de anti-Aristidekrachten in Haïti een aanhang van een paar honderd actieve en een paar duizend passieve medestanders. Zij hebben evenwel de wapens in handen en konden zo de afgelopen weken op luidruchtige wijze het politieke toneel domineren.

De politieradio in Port-au-Prince levert interessant materiaal op voor de theorie dat de actuele politiek in Haïti een samenspel van crimineel-zakelijke en militaire belangen is. De verschillende protagonisten communiceren met elkaar via de golflengtes van de politie. Zo luidt de codenaam van Michel François op de ultra-korte golf 'Mapou', een verwijzing naar de mapou-boom, die in Haïti een mystieke rol vervult in de voodoo-cultuur. Vermoedelijk heeft François zelf deze eervolle codenaam gekozen; onder het volk wordt hij sarcastisch 'Sweet Mickey', of ronduit Mother Fucker genoemd (naar zijn initialen M.F.). Voor de gepolijste Cédras is de codenaam 'Roseau' (roos) gekozen en FRAPH-leider Emmanuel Constant heet 'Basilie' (basilicum).

Hoewel duidelijk is dat de drugshandel in Haïti een samenspel is tussen het leger, zakenlieden en neo-Duvalieristische partijen, zijn er onvoldoende aanwijzingen en zeker geen bewijzen voor de theorie dat het om één goed-georganiseerde mafia zou gaan. Verschillende bronnen menen dat er eerder sprake is van een aantal kleinere organisaties die naast en bij gelegenheid met elkaar werken. Duidelijk is dat deze groepen opereren in opdracht of ten behoeve van het machtige Cali-cocaïnekartel, dat vanuit de naburige Dominicaanse Republiek de zaken in het filiaal Haïti regelt. Volgens bronnen bij de Amerikaanse drugsbestrijding zijn er op een willekeurig moment zo'n duizend Colombianen in Haïti van wie de meesten het land zijn binnengekomen op valse Dominicaanse paspoorten.

Evenmin staat vast dat alle ruim zevenduizend Haïtiaanse militairen actief bij de drugshandel betrokken zijn. De politie heeft zelfs een eigen anti-narcoticabrigade, de CICC, die onder leiding staat van kolonel Antoine Athouriste, toevallig ook de eerste naam op een alfabetische lijst van 41 Haïtiaanse militairen en burgers wier bezittingen in de Verenigde Staten zijn bevroren wegens hun aandeel in de coup tegen Aristide en de obstructie tegen diens terugkeer.

Een goed-geïnformeerde bron spreekt over drie niveaus waarin de deelname van het Haïtiaanse leger aan de drugshandel valt te onderscheiden. Op het eerste niveau, dat van de actief betrokkenen, zijn mensen terug te vinden als luitenant-kolonel Michel François en generaal (b.d.) Claude Raymond, een voormalige minister van defensie onder Papa Doc en volgens ten minste één bron de godfather van de Haïtiaanse drugshandel. Op het tweede niveau, dat van de medeplichtigheid, opereren militairen als anti-narcoticachef Athouriste, die zijn corrupte meerderen niet aan de schandpaal kan nagelen zonder voor zijn eigen leven te moeten vrezen. Ook legerleider Cédras is iemand van ten minste het tweede niveau. Het derde niveau is dat van de non-interventie: horen, zien en zwijgen - een motto voor velen van de zogenoemde Ti-Soldats, de kleine soldaten uit het Haïtiaanse leger.

Fabelen

Opvallend genoeg geeft een functionaris van de Amerikaanse ambassade die op de hoogte is van de drugssituatie in Haïti hoog op over kolonel Athouriste en diens CICC. De omvang van de drugssmokkel in Haïti zou zeer gering zijn. Het grootste probleem voor de CICC is een gebrek aan middelen en manschappen, aldus deze bron. De chef van de Drug Enforcement Agency (DEA) in Miami, Thomas Cash, verwijst in een vraaggesprek met The Miami Herald de meeste beweringen over drugssmokkel en een militair-civiel drugskartel naar het rijk der fabelen. 'Er is veel desinformatie'', zegt Cash nota bene in een reactie op een recent verschenen rapport van het Amerikaanse Congres waarin de theorie van een kartel prominent naar voren wordt gebracht. Volgens het rapport zou overste François van het Cali-kartel jaarlijks zo'n honderd miljoen dollar steekpenningen ontvangen voor de doorvoer van Colombiaanse cocaïne via Haïti naar de Verenigde Staten. De totale omvang van de cocaïnehandel in Haïti wordt door verschillende bronnen geschat tussen tweehonderd miljoen en een half miljard dollar per jaar. Deskundigen op het gebied van de internationale drugsmafia menen dat honderd miljoen dollar steekpenningen voor een half miljard dollar (straatwaarde) cocaïne zelfs voor de Colombiaanse kartels aan de zeer hoge kant is.

De DEA, zo stellen informanten, is ofwel dom en blind of wil niet laten blijken wat zij werkelijk weet. In elk geval stelt de DEA zich op het formeel-juridisch juiste standpunt dat er geen harde bewijzen zijn tegen kolonel François of andere hoge Haïtiaanse militairen voor hun eventuele betrokkenheid bij de drugshandel.

Maar wat formeel-juridisch niet rond te krijgen is, hoeft nog niet onwaar te zijn. In de recente Haïtiaanse geschiedenis zijn twee gevallen waarin de Amerikaanse justitiële autoriteiten vooraanstaande Haïtianen in staat van beschuldiging hebben gesteld. Kolonel Jean-Claude Paul, commandant van het inmiddels ontbonden gemotoriseerde Luipaard-bataljon, werd in maart 1988 in Miami in staat van beschuldiging gesteld wegens de smokkel van 250 kilo cocaïne naar de Verenigde Staten. Korte tijd daarna overleed de kolonel na het eten van vergiftigde soep.

Het tweede geval deed zich drie jaar eerder voor toen de zwager van Jean-Claude Duvalier, Frantz Bennett, tijdens een undercover-operatie van de DEA in Puerto Rico (Amerikaans grondgebied) werd gearresteerd. Bennett, broer van de latere first lady Michèle Duvalier-Bennett, was betrokken geraakt bij de drugshandel via zijn vriend Hugues Paris, een kleine crimineel uit Frankrijk. Nadat Paris door de DEA en de CIA was gebrandmerkt als drugshandelaar, en hij geen visum voor de Verenigde Staten meer kreeg, zou de CIA hem hebben aangeboden de reisrestricties ongedaan te maken in ruil voor informatie en medewerking.

De sting-operatie van de DEA tegen Frantz Bennett in Puerto Rico zou, aldus een bron die beiden persoonlijk kent, met medewerking van Hugues Paris in elkaar zijn gezet. Frantz Bennett belandde voor twee jaar in een gevangenis in Florida. Zijn zus Michèle vertrok met Baby Doc naar Frankrijk en Hugues Paris heeft nog altijd zijn handel in (gestolen) auto's nabij de markt van Pétionville.

Vacuüm

De huidige generatie criminele VIPS in Haïti zijn de zoons van prominenten uit de tijd van Papa Doc Duvalier. FRAPH-leider Emmanuel Constant is de zoon van Gérard Constant, chef-staf onder Papa Doc. Emmanuel 'Basilie' Constant is de drijvende kracht achter het front van de rechtse politieke partijen die - gebruik makend van het vacuüm na de mislukte terugkeer van president Aristide - een voorlopige regering wil vormen en nieuwe verkiezingen in Haïti wil houden.

De zonen van de oude Max Buteau, bij leven legerkapitein, bordeelhouder, vliegtuigcaterer en hotelier, zetten het imperium van hun vader voort. Daaronder zijn de hotels Kinam I en II in Pétionville en het levensmiddelenbedrijf Kanpe La in het Duvalieristen-bolwerk Croix de Mission, even buiten de hoofdstad. De vader van Michel François was een militair van de presidentiële garde van Papa Doc, de vader van brigadier-generaal Philippe Biamby (de nummer twee in de huidige militaire hiërarchie en naar verluidt ten minste even machtig als zijn oude klasgenoot van de militaire academie Michel François) was de particulier secretaris van François Duvalier. Ook de vader van legerleider Raoul Cédras heeft zijn sporen verdiend in de tijd van Papa Doc.

De zonen zetten het werk van hun vaders voort. Het 36 jaar oude imperium van misdaad en terreur dat onder Papa Doc is begonnen, moet zo tot in de lengte van dagen worden gerekt. Inmiddels zijn met de komst van de lucratieve cocaïne de belangen veel groter geworden. Er valt veel te verliezen voor deze kleine, oppermachtige criminele elite als Haïti inderdaad terugkeert naar de democratie en president Jean-Bertrand Aristide de macht terugkrijgt. Maar de neo-Duvalieristen hebben meer te vrezen dan het verlies van hun macht en rijkdom.

In de korte periode dat president Aristide in Haïti trachtte te regeren, zakte het politieke geweld tot ongekend lage niveaus - ondanks de beweringen dat Aristide zijn Lavalas-volgelingen zou hebben opgeroepen tot het vermoorden van de Macoutes, zoals de Duvalieristen worden genoemd. Die fout maken we niet nog een keer, zeggen nu aanhangers van Aristide. Mocht Aristide ooit nog terugkeren naar Haïti, dan zullen ruim drie decennia Duvalierisme met wortel en tak worden uitgerukt in een orgie van geweld die in het Creools déchoukaj heet. De lijken van de neo-Duvalieristen zullen met benzine worden overgoten en in brand gestoken, zo beweren de Aristide aanhangers, als offer aan de goden, ter zuivering van het kwaad en om het licht te ontsteken in de lange nacht van de Haïtiaanse geschiedenis.

    • Reinoud Roscam Abbing