Dansend op een dwergtrein met vijf wieltjes

LA OROTAVA, 6 NOV. Ze doen als de schaarse dieren in de bergen. Ze kruipen al uit hun holen als de maan nog aan het blauwe zwerk staat. Als een laag van bevroren rijp nog over de vlakte ligt. Als de zon alleen nog maar de kratermond van de Teide-vulkaan beschijnt.

Dan trekken ze hun eerste baantjes over dat lange lint van asfalt, de enige weg door het natuurpark. Een zacht geronk van skeelers verbreekt de stilte. Dansend op die dwergtrein met vijf wieltjes zwaait Bart Veldkamp net zo gracieus met zijn rechterarm als hij doet op schaatsen. Falko Zandstra kijkt net zo geteisterd uit zijn ogen als in Thialf. De aanwijzingen van Ab Krook dragen mijlenver.

Ze doen als de schaarse dieren in de bergen. Ze verschuilen zich als de dagelijkse karavaan van touringcars en gehuurde Fiat Panda's optrekt naar de Teide. Als die plaag van lichtgevende trainingspakken, op jacht naar drank en ansichtkaarten, onvermijdelijk ook neerstrijkt in het Parador Las Canadas del Teide. Dat voormalige klooster, waarin de leden van de mannen allround schaatsploeg negentien dagen lang verblijven. Het enige hotel in een ruig en uitgestrekt natuurgebied rondom de hoogste top van Spanje: 3718 meter. Een roestbruine vinger midden in de Atlantische Oceaan.

Overdag verschansen ze zich in hun spelonken. Arjen Schreuder en Jeroen Straathof spelen een partijtje tennis, Rintje Ritsma ploetert op zijn boekhoudles. Pas als die zwerm van dagjesmensen terugkeert naar het lawaai van de bars en de disco's, komen ze weer tevoorschijn. Wanneer rotsen als rustende kamelen lange, bruine schaduwen beginnen te werpen over de gestolde lava-brokken. Dan gaan ze sprinten op het verlaten parkeerterrein bij de Mirador de la Ruleta. Rintje Ritsma, met grote, brede passen, die weerkaatsen tegen de bergwand. Falko Zandstra, in een tuig van elastiek, gemend door coach Ab Krook, om een ontstoken scheenbeenspier te ontzien. Op de hoofdweg ramt Bart Veldkamp, die een hekel heeft aan rennen, op de pedalen van zijn fiets.

De mannen kernploeg is weer op hoogtestage naar Tenerife. Net zoals vorig jaar toen Krook die “nieuwe trainingsprikkel” voor het eerst presenteerde. Onmiskenbaar met succes, want op de grote toernooien bezetten Nederlandse schaatsers steeds drie van de vier hoogste plaatsen. Johann Olav Koss, de Noorse favoriet die telkens achter Falko Zandstra bleef steken, kende het geheim van de Krook-pupillen. Na zijn nederlaag op het WK putte hij zich uit in excuses. De Nederlanders hadden getraind op grote hoogte. Hij was daar door zijn combinatie van sport en studie niet toe in staat geweest.

Maar Krook gelooft niet in geheimen en simpele succesrecepten. Hij is een man van details. “Een wereldkampioenschap wordt bepaald door honderd factoren, niet door één.” Dat is zijn vaste overtuiging. Hij zegt dat hoogtetraining “geen wondermiddel is”.

Hoogtetraining is ook geen nieuwigheid. Hardlopers, wielrenners, zwemmers, allemaal weten ze sinds de Olympische Spelen van 1968 in Mexico City, dat als je op grote hoogte wilt sporten, je ook op grote hoogte zult moeten trainen. Omdat je anders snel naar adem snakt. Omdat je anders zo bent uitgeput. De lucht daarboven is veel ijler dan langs de stranden. Je krijgt minder zuurstof binnen. Dus worden ook je prestaties minder. Je spieren verzuren sneller, verstijfd door zuurstofnood.

Als je maar lang genoeg daarboven blijft, kan het lijf die handicaps wel compenseren. De nieren maken extra rode bloedlichaampjes aan, waarvan ook het haemoglobine-gehalte stijgt, zodat het bloed meer zuurstof weet te binden. Dan kun je ook op grote hoogte als vanouds presteren. Zelfs nog beter presteren als je met dat naar zuurstof hunkerende bloed weer naar beneden gaat.

Van dat principe maken sporters al tientallen jaren gebruik in hun voorbereiding op een belangrijke wedstrijd. Voordat Marcel Versteeg zich op de 5.000 meter voor de Olympische Spelen in Barcelona kwalificeerde, had hij eerst op 1800 meter hoogte in het Franse Font Remeu getraind. En voordat Bert van Vlaanderen zilver op de marathon won bij de WK in Stuttgart, had hij zich op de hellingen van Sankt Moritz voorbereid.

Maar over de effecten van een reeks van hoogtestages als onderdeel van de trainingsopbouw is in Nederland nog maar weinig bekend. De meeste kennis die Krook daarover inmiddels heeft verzameld, heeft hij aan wetenschappelijke publikaties uit het voormalige Oost-Duitsland ontleend. Daaruit blijkt dat de voordelen van hoogtetraining bij herhaling sterk toenemen. Het lichaam went steeds sneller aan de berglucht. De verhoogde zuurstofbindkracht van het bloed houdt langer aan.

De mannen kernploeg trainde in het vorige olympisch seizoen ook al twee keer op hoogte: in Davos en Sankt Moritz. Krook breidde dat aantal vorig jaar uit met Tenerife. Dat deed hij om een “kettingreactie van hoogtetrainingen” op gang te brengen. Dat deed hij ook om een extra trainingsprikkel toe te dienen. Want het schaatsseizoen is lang, doceert de trainer. Dat begint al half mei met de eerste voorbereidingsperiode van skeeleren, wielrennen, lopen en krachttraining, waarmee de algemene conditiebasis gelegd wordt. Dat gaat half juli verder met de tweede, algemeen-specifieke voorbereidingsperiode. En als in oktober de eerste stappen op het ijs worden gezet, is dat het begin van de voorwedstrijdperiode. Al die maanden moet de arbeid sprongsgewijs worden opgevoerd, zowel in omvang als intensiteit. Aldus de trainingsprincipes van Krook.

Maar bij schaatsers die al jaren meegaan, kom je dan “bij intensiteiten die bijna tegen het plafond zitten”, zegt Krook. “Dat geeft weer risico's voor overbelasting en blessures.” Wil je dan toch een stap vooruit doen, dan moet je voor hoogtetraining kiezen. Want trainen op 2300 meter hoogte, zoals op Tenerife, dat is als lopen met bepakking. Met minder trainingsarbeid bereik je toch weer een zwaardere belasting. Je stuwt het lichaam naar een nog hoger niveau.

Dat moet wel met beleid gebeuren, want een hoogtetraining kan ook averechts werken. Als je te snel te veel arbeid wilt verzetten. Als je te lang te explosief aan trainen bent. Dan jaag je jezelf over de kling. Daarom meten de schaatsers tijdens elke training het lactaatgehalte van hun bloed, een indicatie voor verzuring. Dat is een graadmeter voor verzuring. Ze controleren of hun arbeid het gewenste effect sorteert.

Krook ziet ook nog andere voordelen van de hoogtestages. Hij spreekt over “verandering van klimaat”, over “zuiverheid van lucht”. Hij roemt ook de “kalmerende werking op de psyche”. “Het grote voordeel is dat ze hier ook echt rust hebben. In Nederland hebben ze nog zoveel andere zaken aan hun hoofd.”

Die overzichtelijkheid van een ongestoord leven, dat alleen maar uit trainen, rusten en eten bestaat, is voor Bart Veldkamp de grootste bekoring van een hoogtestage. En dat hij in de bergen geen last meer heeft van astma. En “dat je toch weer grensverleggend bezig kunt zijn”. Rintje Ritsma geniet het meest van die bijzondere, bizarre omgeving. “Als je tijdens de training om je heen kijkt, dat is toch schitterend.”

Krook zou niet Krook zijn, als hij dit seizoen niet naar een verdere perfectionering van de trainingsopbouw had gestreefd. Dat betekent: geen drie hoogtetrainingen zoals vorig jaar, maar weer één extra. Eerst in juni naar Sankt Moritz, daarna in augustus opnieuw naar Sankt Moritz, nu op Tenerife. En dan in januari naar Davos als directe voorbereiding op de Olympische Spelen.

Eigenlijk had hij in juni met de groep op hoogtestage naar Kenia willen gaan. Fietsen tussen de zebra's. Skeeleren met uitzicht op savannen. Zo had hij de eerste training willen vermommen als vakantie. “Een psychisch trucje” dat uiteindelijk op een overmaat aan medische bezwaren is gestrand.

Krook zou de hoogtestages graag uitgebreid wetenschappelijk begeleid zien. “Om verder te kunnen bouwen. Om nog veel gerichter te kunnen werken aan trainingssturing en prestatiediagnostiek.” Hij is ervan overtuigd dat uit hoogtestages nog veel meer rendement te halen valt.

Tegelijkertijd relativeert hij ook de zaligmakendheid van hoogtetraining. “Dit is één weg”, zegt hij simpel. “Meerdere wegen leiden naar de top.”

    • Dick Wittenberg