Briefkaart uit Sri Lanka

'Gesponsord door de Colombo-Rotaryclub', vermeldt de achterkant van een voetgangersbord in de Sri-Lankese hoofdstad Colombo. Niemand trekt zich er veel van aan. Oversteken is haast onmogelijk op GalleRoad. Stoplichten zijn nauwelijks te vinden. Verkeersborden staan er verloren bij. Engelse Morrisjes uit het jaar nul vechten met overladen bussen, ossewagens, driewielertaxi's, brommers en fietsers om een plekje op de weg. Hoeveel slachtoffers die chaos jaarlijks oplevert? De verkeerspolitie zou het antwoord moeten weten.

“Are you married”, is de prangende vraag die de barse hoofdinspecteur als eerste op me afvuurt. Hij schreeuwt iets bevelerigs over het houten tussenschotje dat zijn bureau scheidt van zijn ondergeschikten. Sunilla, in kaki uniform met slobberende kniekousen, komt hijgend aangerend. Zij is van Statistiek. Een agent in opleiding die bedeesd zijn hakken tegen elkaar klapt, brengt thee. “De verkeerssituatie in Colombo is bar en boos”, geeft de hoofdinspecteur treurig toe. “Maar er is geen geld voor verkeerslichten. En zolang er niet meer verkeerspolitie komt, zal de chaos alleen maar toenemen.”

Volgens de gegevens die Sunilla even later bezorgt, keurig met de hand uitgeschreven in het Engels, hadden in 1992 in Colombo 10.691 verkeersongelukken plaats. De meeste slachtoffers waren voetgangers. Onder de fietsers vielen volgens Sunilla's gegevens wonderlijk genoeg maar twaalf doden. Desmond was daar een van. Nog geen twee maanden geleden werd hij geschept door een vrachtwagen die de hoek om kwam.

Mallika leerde Desmond kennen bij het winkeltje van haar vader waar hij zijn sigaretten kocht. Hij was altijd vrolijk, maakte grapjes, zong Engelse liedjes. Desmond en Mallika wilden elkaar, alleen maar elkaar, maar hun beide ouders waren onverbiddelijk tegen. Die van Mallika waren nu eenmaal te arm. Mallika ging als dienstmeid werken in het Midden-Oosten. Ze kocht een teevee voor haar ouders, een wasmachine, cassetterecorders. Na twee jaar kwam ze terug. Stiekem huurden ze een huis, stiekem trouwden ze. Toen Mallika's moeder er achter kwam stuurde ze de politie op haar dochter af. Het kwam niet meer goed. “En toch waren we zo gelukkig als je maar kunt bedenken. Als hij even de deur uit was, kocht hij om de hoek een snoepje. Thuis duwde hij de rest in mijn mond. 'Zie je wel hoe snel ik naar je toe ben gerend', zei hij dan.”

Die zaterdag heeft Desmond een vrije dag, dus gaan ze naar Galleface, flaneren langs de zee. Galleface Green, eerder rood van de aarde dan een groen grasveld, is het hart van Colombo. Echtparen met kinderen kuieren langs het water, eten ijs en nootjes. Verliefde paartjes zitten op bankjes te smoezen onder grote parasols. Als de gemeente nieuwe bussen heeft aangeschaft, staan die eerst een dag te pronken op Galleface Green.

Desmond en Mallika kijken samen naar de zee en eten een ijsje. Daarna rijden ze samen op één fiets weer naar huis, Mallika op de stang. Later gaat Desmond nog even op de fiets naar een vriend. “Na een paar minuten komt iemand me vertellen dat hij is aangereden. Ik maakte me geen zorgen. Maar toen ik het witte laken zag, wist ik het.”

Mallika woont nu bij een vriendin. Haar huis is opgezegd, de spullen zitten in dozen. Ze heeft geen inkomen meer. Haar familie en Desmonds ouders weigeren nog steeds ieder contact met haar. “Nu ben ik helemaal alleen”, constateert ze zonder met haar ogen te knipperen. “Nu moet ik helemaal voor mezelf zorgen.”

De politie is inmiddels een Veilig Verkeer-actie begonnen. Gesponsord door verscheidene nationale kranten deelt ze aan iedere overtreder pamfletjes uit. Geen verkeersregels, maar op rijm: '...If everyone could meet the wife and children left behind/ and step into the darkned home where once the sunlight shined/ and look upon the vacant chair where daddy used to sit/ I'm sure each reckless driver would be forced to think a bit!' Of het zal helpen? De barse hoofdinspecteur grijnst. “Als ze het alleen al lezen zijn we heel tevreden.”