Bancaire herbezinning nodig

AMSTERDAM, 6 NOV. H. Rudloff, topman van de Amerikaans-Zwitserse bank CSFB schreef het vorig jaar al: de traditionele rol van de bank als bemiddelaar tussen aanbieders en vragers van geld en kapitaal staat onder druk. Ondernemingen zijn steeds beter toegerust om zelfstandig op de kapitaalmarkt te opereren en grote beleggers verbreden hun blikveld. Wie belet straks een groot concern dat aandelen of obligaties wil uitgeven om direct zaken te doen met de belegger zonder dat de bank daar nog tussen komt?

Rudloff werd kort daarna gepromoveerd naar een zwaarwichtige, maar volgens veel bankiers minder invloedrijke funktie binnen zijn bank, maar had te elfder ure nog een onderwerp weten aan te snijden waar niet alleen de investment bankers als Rudloff, maar de hele bancaire wereld in de jaren negentig nog veel mee te maken krijgen. Volgens het gedetailleerde rapport European banking and capital markets, dat door accountantsgroep Arthur Andersen in samenwerking met de Economist Intelligence Unit is opgesteld, en waaraan 400 financiële instellingen meewerkten, komt de rol van de bank als tussenpersoon tussen de aanbieders en vragers van geld en kapitaal onder druk. De sector gaat een tijdperk van 'disintermediatie' tegemoet. Verzekeraars en andere financiële instellingen, begeven zich steeds meer op de markt die voor de banken altijd vanzelfsprekend eigen terrein was.

J. Kuik, bij Arthur Andersen verantwoordelijke voor het Nederlandse deel van het rapport, wijst op het ontstaan van credit-card-netwerken als Visa, waarvoor het voorheen interbancaire datanetwerk Swift nu ook toegankelijk is. Niet-bancaire spaarinstellingen als verzekeraars trekken geld van particulieren aan, grootwinkelbedrijven functioneren met hun klantenkaarten steeds meer als niet-officiële kredietverleners. Op vrijwel alle vlakken zal zich - ook voor kleinere klanten - een 'disintermediatie' voordoen, het wegvallen van de bemiddelingsrol van de bank.

De toekomstvisie van de bankiers in het rapport leidt de opstellers tot de conclusie dat een omvangrijke concentratie en herstructurering in de banksector onvermijdelijk zijn, met het verlies van een vijfde van de werkgelegenheid als gevolg. Als reactie op de grotere concurrentie voorziet het rapport dat de banksector in elk land zal pogen om een zodanige sterke positie op en rond de thuismarkt in te nemen dat de gevolgen van de veranderende markt kunnen worden opgevangen.

Door de groeiende concurrentie en teruglopende winstmarges op hun traditionele werkterrein gaat het inkomen van de banken volgens het rapport in de toekomst meer en meer afhangen van de begeleiding van bedrijven bij hun financiële transacties en het handelen op de kapitaalmarkt, waarbij met name financiële derivaten als een belangrijke groeimarkt worden gezien. Van de traditionele spread-winst op het renteverschil tussen ingelegd en uitgezet geld, verhuist het inkomen meer naar comissies en koerswinsten.

Met de langzame verschuiving van de banken in de richting van de kapitaalmarkt schuift het risicoprofiel van de banken mee, van de kredietrisico's bij de traditionele cliënt naar de kapitaalmarktrisico's die de nieuwe rol met zich meebrengt. Daar signaleren de makers van het rapport een belangrijk hiaat. Het scrutineuze toezicht waaronder de banken bij hun kredietverlening vallen geldt niet voor hun nieuwe, niet-bancaire concurrenten. En dat leidt tot oneerlijke concurrentie. Het bundelen van bijvoorbeeld het toezicht op banken en verzekeringsinstellingen is een van de aanbevelingen die uit het rapport te halen zijn.

In Nederland is de financiële sector de concentratie tussen banken onderling en verzekeraars al verder gevorderd dan in de andere Europese landen. De spanningen tussen De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer, de toezichthouders op respectievelijk de bank- en de verzekeringssector, hebben er volgens het rapport toe geleid dat van een gebundeld toezicht nog niet meer is gekomen dan een voorlopig Protocol. “Misschien daarom”, schrijven de rapporteurs, “zijn juist de Nederlandse respondenten in het onderzoek sceptischer dan gemiddeld over het vermogen van de toezichthouders om gelijke tred te houden met de ontwikkelingen in de financiële sector.”

    • Maarten Schinkel