Adriaan Venema

Een flink aantal jaren geleden at ik met een gezelschap bij het hoofdstedelijke Keyzer. We waren aan het toetje toen Harry Mulisch in de verte wees en zei: 'Daar zit Adriaan Venema. Zullen we hem er even bijvragen?''

Er klonk gemor en nou nee, Adriaan Venema... 'Juist'', zei Mulisch. Hij stond op en ging hem halen. Ik schoof op om plaats te maken en dat was de eerste keer dat ik Adriaan ontmoette.

Hij zag er merkwaardig uit. Zijn wat boerse uiterlijk ging schuil achter modieuze kledij. Hij droeg zwarte schoenen van eenvoudige snit (later zou hij me vertellen dat hij slechts een paar schoenen had, die hij halfjaarlijks omruilde voor nieuwe), geel-zwart geblokte sokken, een wijde zwarte broek (hij droeg vrijwel uitsluitend zwarte broeken die hij per twee of drie aanschafte), een zwart, wijd vallend overhemd van een satijn-achtige stof en daaroverheen een opvallend jasje van Gaulthier, in een eveneens geblokte donkerblauwe stof. Het was juist na zijn Versace-periode. Een overjas had hij niet, ook niet 's winters.

Adriaan had een vriendelijk gezicht, afgezet met rossige krulletjes en hij paste er erg voor op niet onder een lamp plaats te nemen, om de kale kruin niet te accentueren. Om de pols hing een rij van acht horloges. Een 'conversation piece'. Ik raakte meteen in zijn ban en er ontstond een vriendschap, hoewel we in veel opzichten tegenpolen waren.

Als ik zeg 'vriendschap' dan is dat niet en passant. Adriaan nam vriendschappen zeer serieus en wist ze goed te onderhouden, op het vormelijke af. Hij schreef brieven, faxen en gaf boodschappen op het antwoordapparaat. Wat dat betreft was hij een ouderwets man, in het genre van de vader van Bomans. Een prettige eigenschap.

Hij was het die me tweemaal het vergeten van een eetafspraak vergaf onder het motto dat afzeggen erger was. Tijdens het wachten bekroop hem geen ergernis, slechts ongerustheid. Hij woonde in die tijd in Parijs waar hij een hartsvriendin van me goed bleek te kennen. Journalisten reisden af en aan om hem daar te interviewen, veel meer, zei hij, dan wanneer hij in Nederland had gewoond, want als hij ooit zei 'Nee, op die datum ben ik in Nederland, dat komt veel beter uit voor u'', werd de afspraak meteen verzet: men wilde gaarne het reisje maken.

Zijn familie kwam uit de kop van Noord-Holland, West Friesland, en ik ken het genre. Het zijn van die kinderen die tegen de wind in naar school fietsen, over een lange dijk, en dat kweekt doorzetters. En dat was-ie.

Het kwam hem in alles te stade, in zijn schrijverij - hij schreef een veertigtal werkjes - en in zijn kunsthandelaarschap. Doorzetten en hard werken was het advies. Tijdens een reis naar Engeland mocht ik met hem mee naar een Galerie, Waitford & Hughes, in Duke Street, St. James, waar hij een schilderij zou gaan aanschaffen. Van tevoren had hij me al gezegd dat het een slechte tijd was voor galeriehouders, dus hij zou flink afdingen.

We keken rond. Ik vond het maar niks. 'Wat zou jij'', begon Adriaan, 'wat zou jij hier nou kopen?''

'Niks'', zei ik, naar waarheid.

'Nee'', zei Adriaan, 'als je zou moeten.''

Ik wees op een landschap. 'Kijk'', zei Adriaan, 'dat is ongeveer het slechtste doek wat hier hangt. En wat vind jij nou het lelijkste?''

Na enig wikken en wegen kwam ik op een naakt, een buitengewoon lelijke vrouw, op afschuwelijke wijze afgebeeld.

'Merkwaardig'', zei Adriaan. 'Precies het doek waarop ik ga bieden.''

'Wat moet het kosten?'' vroeg hij de aanwezige verkoper. De prijs bleek vijfentwintig duizend te zijn. 'Oh nee'', zei Adriaan, 'ik heb er zeventien voor over.'' De man zakte tot drieëntwintig. Adriaan bleef op zeventien. 'Maar dat is veel minder dan we betaald hebben'', wierp de verkoper tegen. 'Bel je baas maar 's'', zei Adriaan.

De man belde. Het mocht weg voor eenentwintig.

Niet voor zeventien? Nee, echt niet.

We verlieten het pand. Op straat zei Adriaan tegen me dat hij in Nederland een koper wist voor negenentwintig.

De volgende dag gingen we terug en kreeg hij het mee voor zeventien. Hij was keihard in dat werk.

Even keihard was hij in weddenschappen. Ik ben in totaal zestien flessen port aan hem kwijt geraakt, op verschillende gebieden: of een markies 'hoger' is dan een graaf (ja), of broccoli uitgevonden is door de producent Broccoli (nee), of iemand in de hal van het Haymarket theater- en televisie-acteur was (ja) en of een postduif die moe is doorloopt (onbeslist). En geen knullige flessen hoor, nee, twintig jaar oude port (geen vintage).

Wel stond Adriaan er om bekend meteen de rekening te pakken en te betalen. Ik ken geen guller gastheer.

Lang en veel sprak ik met hem over de Tweede Wereldoorlog waar we beiden in geïnteresseerd waren. Hij wist ongeveer tienmaal zoveel als ik, en we hadden ook veel plezier om de merkwaardige discrepanties uit die tijd, zoals het feit dat men tot december '44 telegrammen naar Engeland kon sturen vanuit het hoofdpostkantoor te Amsterdam (de Duitsers hadden gewoonweg vergeten de lijn te blokkeren).

Wie Adriaan goed leerde kennen kwam voorbij de aanvankelijke botheid die hij soms had tegenover vreemden. Hij was gevoelig en sentimenteel, en daardoor zeer geraakt door de schriftelijke en fysieke aanvallen die hij te verduren had. Het weerzinwekkende optreden van drie hoofdstedelijke journalisten, Holman, Kuitenbrouwer en Zandbergen, die enkele dagen voor zijn dood bij Adriaan hebben aangebeld met dronkemanspraat van 'komt er nog wat van?'' etc., en ook op zijn antwoordapparaat liedjes gezongen hebben ('We'll meet again'', etc.), blijft in mijn geheugen gegrift.

Slechts weinigen zagen de oprechtheid waarmee hij zijn oorlogsboeken schreef. Slechts weinigen zagen dat de commotie pas dan ontstond als iemand achteraf zich een andere rol had toegemeten, dan hij in werkelijkheid in de oorlog had vervuld. Dat was niet de schuld van Adriaan. Hij had slechts aan geschiedschrijven gedaan. Talloos zijn ook degenen die door het grote publiek als verrader waren gekenschetst, en die door Adriaan in bescherming zijn genomen, voor wie hij het tegendeel bewees.

Hij had natuurlijk veel vijanden, waaronder van laag allooi. Fout Nederland zal opgelucht ademhalen. Komrij ook.

Merkwaardig genoeg was het weer Harry Mulisch die Venema de avond voor zijn dood in Keyzer trof, aan het avondmaal. Adriaan Venema was een buitengewoon hartelijk iemand. Een gecompliceerd man, die een gecompliceerd leven leidde, na een nare jeugd. Een en ander is hem te veel geworden. Ik heb zijn besluit gerespecteerd.

Maar ik mis hem.