Aardgas brengt Atjeh rijkdom

LHOKSEUMAWE (ATJEH), 6 NOV. Een autorit door het regentschap Noord-Atjeh is een reis door de tijd. De weg van Banda Atjeh naar Medan, de hoofdstad van Noord-Sumatra, volgt op enkele kilometers afstand de kustlijn van de Straat van Malakka. Rijstvelden, zover het oog rijkt. Hier en daar neemt een karbouw een modderbad in het strijklicht van de ondergaande zon. Even voor Lhokseumawe, als de moskeeën de oproep tot het gebed uitzingen, tekenen zich tegen de avondhemel de vurige pijpen af van het aardgascomplex PT Arun. Rechts van de weg steken uitbaters van eethuisjes een kaal peertje aan, links lijkt het hel verlichte labyrinth van compressoren, buizen en koeltorens wel een miljoenenstad.

Even bezuiden Lhokseumawe, bij het gehucht Arun, ligt in een kalksteenlaag drieduizend meter onder de sawah's een van de grootste aardgasvelden ter wereld. Het meet 18 bij 6 kilometer en de inhoud wordt geschat op 400 miljard kubieke meter kostbare koolwaterstoffen. (Ter vergelijking: Nederland heeft volgens de jongste ramingen nog een aardgasreserve van 2.300 miljard kubieke meter). De ontdekking van het reservoir door de Indonesische tak van het Amerikaanse Mobil Oil in 1971 ontketende een industriële kettingreactie die het regentschap en de provincie Atjeh als geheel economisch voordeel, maar ook sociale spanningen opleverde.

Mobil Oil Indonesia, dat opereert onder een produktieverdelingscontract met Pertamina, de staatsoliemaatschappij van Indonesië, nam het aardgasveld in 1977 in exploitatie. PT Arun, een joint venture van Mobil Oil, Pertamina en een Japans bedrijf, bouwde ten noorden van Lhokseumawe, op dertig kilometer van het Arunveld, een gigantisch complex waar het gas vloeibaar wordt gemaakt, opgeslagen en verscheept naar zes afnemers in Japan en een in Zuid-Korea.

In de onmiddellijke omgeving van PT Arun verrezen twee grote kunstmestfabrieken, het staatsbedrijf PT Pupuk Iskandar Mudah, genoemd naar een roemruchte Atjehse sultan, en de ASEAN Aceh Fertilizer, een joint venture van staatsondernemingen uit vijf ASEAN-landen (alle, behalve Brunei). Ten slotte werd even buiten Lhokseumawe de staatspapierfabriek Kertas Kraft Atjeh neergezet, die in Centraal-Atjeh een concessie van 200.000 hectare verwierf voor de kap van naaldbomen. Alle drie de fabrieken draaien op het aardgas van Arun.

Om zo min mogelijk rijstvelden te offeren en de controle over de operatie te optimaliseren zijn de produktiefaciliteiten van het aardgasveld geconcentreerd in vier zogenaamde 'clusters' van 21 boorgaten elk. Van daaruit werd het gas diagonaal aangeboord tot een boorgatlengte van bijna vierduizend meter. De vier clusters samen leveren 0,9 miljoen kubieke meter aardgas per dag. Het veld heeft inmiddels zijn produktiepiek bereikt en kan tot het begin van de volgende eeuw op dit niveau doordraaien. Daarna zal een lichte daling inzetten. Volgens Scott Miller, de Amerikaanse produktie-manager van het Arungasveld en een medewerker van Mobil Oil, is 'Arun' goed voor een kleine tien procent van Indonesie's exportinkomsten.

PT Arun Natural Gas Liquefaction Company is een non-profit bedrijf dat voor 55 procent eigendom is van Pertamina, voor 30 procent van Mobil Oil Indonesia Inc. en 15 procent van Japan Indonesia LNG Co. (JILCO). De laatste vertegenwoordigt de afnemers. Het voornaamste produkt is LNG (vloeibaar aardgas); verder produceert het bedrijf condensaat en LPG. Sinds het hypermoderne complex in 1978 werd opgestart is de capaciteit aanzienlijk uitgebreid. De huidige gemiddelde produktie is 77.000 kubieke meter LNG, 110.000 vaten condensaat en 8.000 kubieke meter LPG per dag. PT Arun heeft zijn eigen 14 meter diepe haven, Blang Lancang, waar twee LNG- en een LPG-tanker gelijktijdig kunnen afmeren en laden.

De ontdekking, winning en verwerking van het aardgas creëerde een industriële enclave in Noord-Atjeh, een traditionele samenleving van boeren en vissers. Nog steeds leeft tachtig procent van de bevolking er van de landbouw, maar die sector is intussen nog maar goed voor twintig procent van het bruto produkt van het regentschap. De rijstboeren van Noord-Atjeh verdienen gemiddeld 700.000 rupiah (zo'n zevenhonderd gulden) per jaar. Dat is ongeveer evenveel als de onkostendeclaratie van de technici in het aardgas, aldus een cynische waarnemer.

Wat heeft Atjeh aan zijn gas? De meeste hoger opgeleide technici van Mobil Oil en PT Arun komen uit het buitenland of van het eiland Java. Atjeh heeft maar één middelbaar technische school (in Langsa, Oost-Atjeh) en een nog jonge ingenieursopleiding aan de Syiah Kuala Universiteit in de provinciehoofdstad Banda Atjeh. Op aandringen van het provinciebestuur besteden Mobil Oil en Pertamina steeds meer aandacht aan de recrutering en opleiding van Atjehnees personeel. PT Arun verzorgt gastdocentschappen voor Syiah Kuala en beurzen om afgestudeerden in staat te stellen zich verder te bekwamen in het buitenland. Inmiddels zijn zeventig procent van het personeel en vier van de twaalf managers Atjehers.

Twaalfhonderd medewerkers van het gasveld en PT Arun wonen met hun gezinnen in een heuvelachtig, ommuurd bungalow-complex in Batuphat, vijf kilometer van het bedrijf. Het complex telt drie lagere scholen, twee SMP's (onderbouw middelbare school) en een SMA (bovenbouw); verder een sporthal, golf- en tennisbanen, een goed voorziene supermarkt en een ziekenhuis. De aardgasenclave regelt haar eigen energie- en drinkwatervoorziening, de meest betrouwbare van heel Sumatra. Aan de lagune, onder de rook van Arun's reuzepijpen, waarboven afvalgassen worden verbrand, staan schamele visserswoningen zonder vers drinkwater of elektriciteit.

Toch pikt Atjeh een graantje mee. Een manager van PT Arun schat de provinciale belastinginkomsten uit het aardgas op 28 miljoen gulden per jaar, dat is zo'n vijf procent van de inkomsten die de Indonesische staat jaarlijks betrekt uit de export van Atjehnees aardgas. PT Arun heeft Lhokseumawe, de hoofdstad van Noord-Atjeh, geholpen aan een vliegveld, de weg naar het naburige Noord-Sumatra over een lengte van 240 kilometer verbeterd en in Noord-Atjeh scholen en moskeeën gebouwd.

In 1977 werden de aannemers die bij Arun de produktiefaciliteiten aanlegden, bestookt door gewapende leden van de beweging Vrij Atjeh, die ijvert voor een aparte, islamitische staat. Scott Miller: “Gelukkig is dat sindsdien nooit meer gebeurd. Men heeft ons laten weten dat we geen doelwit zijn vanwege de werkgelegenheid die we bieden aan de plaatselijke bevolking. Aanslagen zouden hun zaak eerder schaden dan verder helpen.”