Todesfuge

In Cultureel Supplement (22/10) schreef Chris van Esterik over aspecten van de poëzie van Paul Celan.

In het eerste gedeelte worden enkele zinnen gewijd aan het gedicht Todesfuge, inderdaad één van de meest toegankelijke teksten van Celan, maar toch ook weer niet zó toegankelijk als Van Esterik het doet voorkomen. Ook wordt dit dichtwerk in een soort concurrentiepositie geplaatst met Ondergang, het alom bekende historisch onderzoek van dr. J. Presser over de jodenvervolging in Nederland. Een dergelijke vergelijking doet beide teksten ernstig tekort, want Todesfuge noch 'de 1090 pagina's van De (sic!) Ondergang van Jacques Presser' kunnen en mogen gereduceerd worden tot wat Van Esterik noemt: 'de essentie van het concentratiekamp'.

Presser beschrijft op gedetailleerde wijze het gehele proces van discriminatie en isolement, van selectie en deportatie en de uiteindelijke eliminatie en vernietiging van Nederlandse joden in (vernietigings)kampen en op andere plaatsen. Deze tragische en gruwelijke laatste fase van een op het doen verdwijnen van een complete bevolkingsgroep gericht systeem wordt door Presser in hoofdstuk VIII met de veelzeggende titel moord op een indrukwekkende manier beschreven, minstens zo indrukwekkend, zoal niet indrukwekkender dan in Celans Todesfuge. Maar nogmaals en ook afgezien van de zin van dit soort concurrerende vergelijkingen tussen zulke verschillende teksten als Todesfuge en Ondergang: aan beide teksten wordt ernstig tekort gedaan door ze tot slechts een van de aspecten ervan te reduceren.

Maar ook 'de 36 regels van Paul Celan' verdienen een beter lot dan hen beschoren is in het artikel, waarop ik zo vrij ben enkele kritische aanmerkingen te maken. Een gedicht, dat zoals Chris van Esterik schrijft 'in vele talen vertaald (is) en behoort tot de bekendste gedichten in de naoorlogse wereldliteratuur' moet met de vereiste zorgvuldigheid worden benaderd en ook hier tref ik bij Van Esterik een ontoelaatbare reductie aan van het thema, dat Celans tekst onder woorden brengt.

De lezer zal dan kunnen vaststellen, dat Celans tekst veel meer doet dan 'een concentratiekamp beschrijven', zoals ook het werk van Presser veel meer doet dan 'een concentratiekamp beschrijven'. Het is niet uitgesloten, het is zelfs waarschijnlijk, dat Paul Celan door het gruwelijke lot van zijn ouders tot het schrijven van dit gedicht is gekomen, maar dat betekent niet, dat men nu omgekeerd uit het gedicht een aspect van de biogorafie van Paul Celan, namelijk de gewelddadige dood van zijn ouders, mag reconstrueren en de tekst daar als het ware toe mag beperken. Todesfuge bevat concrete feiten en concreet voorstelbare beelden, maar tegelijkertijd gaat het concreet voorstelbare onmiddellijk op in het absoluut onvoorstelbare: het massale vermoord worden van het ene volk door het andere en de al even tragische als gruwelijke lotsverbondenheid tussen joden en Duitsers, tussen slachtoffers en daders.

Verder ben ik van mening, dat alle vormen van informatieverstrekking over de holoaust, mits uiteraard het waarheidsgehalte ervan niet ter discussie staat, bestaansrecht hebben. Waarom de mogelijke vormen van informatieverstrekking in de breedste zin van het woord niet zien als elkaars supplement? De 'informatieve' waarde van Todesfuge kan zelfs pas tot stand komen, als men over de nodige feitelijke informatie beschikt en dat onder andere heeft het werk van Presser ter beschikking. Omgekeerd maakt kennis van Todesfuge een diepere doorleving mogelijk van bepaalde passages uit Pressers werk, zodat beide geschriften elk op hun specifieke wijze, met de eraan verbonden specifieke voor- en nadelen, bestaansrecht hebben.