Sjuul Deckwitz

Sjuul Deckwitz: God aan het IJ. Uitg. Van Gennep. 111 blz. Prijs: 24,50.

Een meisje tussen de brokstukken van haar jeugd op zoek naar zichzelf, zo zou je de verhalen kunnen samenvatten die Sjuul Deckwitz bundelde in God aan het IJ. Die jeugd, van Mientje, is voornamelijk ongelukkig en kenmerkt zich door tragische feiten: het slechte huwelijk van haar ouders, de verhuizing van Amsterdam naar Alkmaar en het verongelukken van de boven alles geliefde opa, die werkzaam was bij de Havendienst aan het IJ. Hij kan wel beschouwd worden als de God uit de titel. Mientjes levensgeschiedenis doet ondanks de komische ondertoon nogal naturalistisch aan. Alles is hier zoals het nu eenmaal is, zonder dat er iets wordt verklaard of uitgediept. Mientje zelf blijft een tamelijk duister personage. Als er over haar wordt gezegd dat zij 'een van de meest wanhopige middagen van haar bestaan' beleeft, dan moet je dat maar geloven. Haar existentiële getob wordt niet erg aannemelijk of voelbaar gemaakt. Ook als portret van de jaren vijftig en zestig, zoals de flaptekst wil, overtuigt God aan het IJ niet helemaal. Daarvoor is de bundel veel te particulier.

Maar wie zulke eisen niet stelt, houdt ongecompliceerde verhalen over, die hun charme ontlenen aan hun uitgesproken Hollandse karakter. “De aanblik van het IJ alleen al deed een mens ruimer ademhalen,” denkt de hoofdpersoon in het titelverhaal, “water, wind en schepen - geen woonkazernes en benauwde straten, geen moeder die schreiend de jus opdweilde terwijl vader kracht verzamelde voor de tweede ronde.”