SER pleit voor vrijere handel met O-Europa

DEN HAAG, 5 NOV. Vrees voor marktontwrichting in Nederland of West-Europa door invoer van goederen uit Oost-Europa is volstrekt ongegrond. De Europese Gemeenschap vormt de natuurlijke handelspartner voor Oost-Europa.

Tot nu toe heeft de opening van de Oosteuropese markt veel meer voordelen aan het exporterende Westeuropese bedrijfsleven opgeleverd dan omgekeerd. Dit schrijft de Sociaal-Economische Raad (SER) in een advies aan het kabinet over de sociaal-economische betrekkingen tussen Oost- en West-Europa. Het advies, dat de SER op eigen initiatief heeft opgesteld in een werkgroep onder leiding van prof. dr. J.L.M. Pelkmans, is een radicaal pleidooi voor handelsliberalisatie tussen de EG en Oost-Europa. Het rapport spitst zich toe op de betrekkingen met de zes Oosteuropese landen waarmee de EG de zogenoemde Europa-akkoorden heeft gesloten.

Volgens de SER dient handelsverruiming het welbegrepen eigenbelang van Nederland en de overige EG-landen. “Negatief geformuleerd gaat het om het zo goed mogelijk tegengaan van de risico's van politieke en economische stabiliteit in een aangrenzend deel van Europa.” Eén van die risico's, aldus de SER, is een toenemende migratiedruk. Daarnaast is sprake van 'verantwoordelijkheid' omdat de ex-communistische landen van Oost-Europa zich willen ontwikkelen in de richting van het Westeuropese sociaal-economische en politieke model.

De SER erkent dat vrij handelsverkeer zal leiden tot verschuivingen in de internationale arbeidsverdeling, waardoor zich niet alleen welvaartsvoordelen, maar ook herstructureringsproblemen zullen voordoen in Oost- en West-Europa. Noodzakelijke economische herstructureringen in West-Europa moeten volgens het SER-advies niet worden vertraagd door afscherming van de markt voor concurrentie uit de ex-communistische landen. Aan de andere kant zijn de sociale en economische kosten van de aanpassingen veel groter in de landen die de overgang van commando- naar markteconomie maken.

De uitvoer van de EG naar Midden- en Oost-Europa is sinds de omwentelingen van 1989 sneller toegenomen dan de invoer van de EG uit deze landen. De traagheid waarmee de Oosteuropese uitvoer op gang komt wijt de SER aan een combinatie van aanbodproblemen in Oost-Europa en door de EG opgeworpen handelsbelemmeringen. Voor de EG vormt Oost-Europa nog steeds een relatief kleine handelspartner (4 procent van het externe handelsverkeer), terwijl voor Oost-Europa de EG verreweg de belangrijkste afzetmarkt is geworden na het wegvallen van de Comecon (40 à 50 procent).

Volgens het SER-advies is intensivering van het handelsverkeer tussen de EG en Oost-Europa van essentieel belang. Hulp kan niet in de plaats treden van handel, maar is slechts van belang als tijdelijke aanvulling om het aanpassingsproces in Oost-Europa te versnellen en de sociale effecten op te vangen. Het comparatieve voordeel van de ex-communistische landen bestaat uit de lage lonkosten, de hoge technische scholing en de geografische nabijheid van de EG-markt.

De SER waarschuwt tegen lichtvaardig gebruik van anti-dumpingmaatregelen door de EG tegen produkten uit Oost-Europa. In bedreigde sectoren, zoals staal, moet een oplossing gezocht worden in een Paneuropese aanpak van de overcapaciteit.