Religie is de enige kunst; Piet Ouborg, pionier van het abstract expressionisme

Een groot deel van het oeuvre van Piet Ouborg ontstond half in het geheim. De Cobraschilders zagen in hem een pionier van de abstract expressionistische schilderkunst, maar hij wilde niet tot hun groep behoren. De groeiende belangstelling voor zijn werk maakte hem niet onverdeeld gelukkig.

De tentoonstelling in het Dordrechts museum duurt t/m 9 januari

De kunst van Piet Ouborg (1893-1956) is met raadsels omkleed. Het is of de schilder uit stro goud wist te spinnen. Zijn oeuvre ontwikkelde zich half in het geheim. Gedurende de lange periode die hij in Nederlands Indië doorbracht, waren de directe confrontaties met de kunst van zijn tijd mondjesmaat. Toen hij terugkeerde in het vaderland, stond de Tweede Wereldoorlog al op het punt om uit te breken. In 1947 echter bleek Ouborg een stijl te hebben ontwikkeld die hem in een klap in de voorhoede plaatste. Voor het baanbrekende karakter van Ouborgs schijnbaar spontaan geschilderde voorstellingen van fantastisch kleurige vormen, krachtige tekens en grillige lijnen hadden als eersten de 'experimentelen' oog. Ouborg was op dat moment de enige kunstenaar in Nederland in wie ze een geestverwant ontdekten. In de oktobermaand van 1949 werd de toen 56-jarige schilder zelfs uitgenodigd om toe te treden tot de inmiddels opgerichte, internationale Cobra-groep. Maar Ouborg wilde niet. Hij voelde zich te weinig een groepsmens, verklaarde hij.

In de plaats waar Ouborg honderd jaar geleden werd geboren, is nu een fascinerende overzichtstentoonstelling van zijn werk te zien. Onder de noemer Heimwee naar het hart der dingen toont het Dordrechts museum zo'n tweehonderd schilderijen, tekeningen en gouaches van Ouborg. De poëtische titel van de expositie is ontleend aan een tekst, uit 1930, van Ouborg zelf die duidelijk maakt dat het gedachtengoed van de surrealisten een inspiratiebron betekende: “Wie echter het heimwee naar het hart der dingen kent, dat achter de verschijningsvorm zich steeds verbergt, die ging wel andere wegen dan die de zinnen wijzen. Wegen - hij weet het - die zich openden, wanneer de rede haar overwicht verloor, de zinnen hun waakse diensten weigerden, en de 'ander' in hem vrij kwam.(-).”

Ouborg die zich in 1916 als ambtenaar naar Indië had laten uitzenden om aan de dienstplicht te ontkomen, verkreeg zijn artistieke impulsen door middel van de post. Tussen 1928 en 1934 was hij achtereenvolgens geabonneerd op tijdschriften met zwart-wit-reprodukties als Cahiers d' Arts en het surrealistische blad Minotaure. Zijn verlof greep hij aan om de nieuwe kunstuitingen in het echt te zien. Zo reisde hij, in 1931, naar Brussel af voor de expositie L'Art Vivant in Europa waar werk werd getoond van onder andere Arp, Dali, Ernst, Masson, Miró, Picasso, Tanguy, De Chirico, Klee en Léger. In de kolonie waar Ouborg de kost verdiende als onderwijzer op lagere scholen en later als tekenleraar op een HBS in Batavia, moest hij het verder hebben van die paar vrienden die op dezelfde golflengte zaten. “De Europeanen in Indië lijden allen onder een tropische kwaal, veel verschrikkelijker dan de afmattende hitte: het lege, het ideaalloze, het gebrek aan gepeins, het stil voor zich uitdromen”, meldde Ouborg uit Malang aan zijn broer Jan.

Wat Ouborg onder dromen begreep, wist hij niet alleen in beelden maar ook in woorden uit te drukken. Een bootreis in de Indische Oceaan bracht hem tot de dichterlijke ontboezeming: “De zee is van een stomp indigoblauw (-). De menschen dansen en het schip vervolgt zijn duistere vaart. Dit herhaalt zich eeuwig. Het is alles wat je wilt. We lichten even op in de oneindigheid.” Het is precies de sfeer die zijn vroegste surrealistische schilderijen uit het begin van de jaren dertig uitdragen. Geïsoleerde, abstracte vormen in opvallend fraaie kleuren rijzen als eilanden op uit de geheimzinnige diepte of verzinken daarin. In diezelfde periode dienden zich in Ouborgs voorstellingen ook de grillige lijnen aan die zo kenmerkend zijn voor zijn naoorlogse werk. Na zijn trefzekere start als surrealist belandde Ouborg in een fase waarin hij in verschillende stijlen begon te werken. Hij maakte nu ook figuratieve schilderijen. Zijn voorstelling van De Ram, uit 1934, toont een op een platform van scherven gezeten, gehoornd dier waarvan de haakneus in een wonderlijk organisch gevormd obstakel steekt dat door Ouborg als 'een kalebas vol weke verlangens' is aangeduid.

Zijn Altaar, uit 1937, bestaat eveneens uit organische vormen waarop brokstukken en een ei liggen. Vergeleken met de formele symboliek van deze schilderijen vallen Ouborgs tekeningen en gouaches op door hun spontane, informele karakter. Ouborg was een geboren tekenaar die volgens de surrealistische methode van het automatische schrift al zijn invallen de vrije loop liet. Op zijn nachtkastje had hij bovendien nog een extra schetsboekje klaar liggen waaraan hij zijn droombeelden heet van de naald prijsgaf. Het zijn dan ook met name Ouborgs tekeningen die de latere stijl van de 'pionier van de abstract-expressionistische kunst in Nederland' al in een vroeg stadium aankondigen. Wat in de jaren dertig in Ouborgs schilderkunst door de afbeelding van maskers en verder hoofdzakelijk door titels als Altaar of Plaats van Inkeer doorschemerde, was zijn geboeidheid door offerplaatsen en een fascinatie voor magie in het algemeen. In Indië raakte hij in de ban van de alom aanwezige 'stille krachten', van de woekerende groeikracht van de natuur en de geheimzinnige verbondenheid van de mensen met de aarde. Hij was diep onder de indruk van de tempels bij Malang en van de verzameling voorouderbeelden en primitieve maskers in het Etnografisch Museum in Batavia.

Bezwerend

In Ouborgs eigen collectie bevonden zich ondermeer demonisch ogende 'ziektemaskers'. Over zijn ervaringen in Indië schreef Ouborg later: “Ik ben er in contact geweest met lieden voor wie de wereld niet een gestorven ding is. In plaats van bepalend, voelt zich de mens er bepaald en dit dwingt hem voortdurend in een aanroepende en bezwerende houding.” Ouborg, zoon van een winkelier die later als boekhouder ging werken en afkomstig uit een streng protestants gezin van tien kinderen, vond in Indië een kunst die nog geheel verbonden was met de religie en voor hem was dat 'de enige kunst'. “Wat de modernen van de 'primitieven' hebben overgenomen, is niet meer dan de buitenkant, de uiterlijke vorm (-). Picasso heeft hetzelfde grote vermogen van de primitieve kunstenaar maar hij gelooft tenslotte niet in wat hij doet. De argeloze overgave, de metafysische verzinking, de geweldige deemoed ook, dat zich maar-heel-klein voelen tegenover het mysterie van het leven, waar vind je dat bij de modernen?” was Ouborg van mening.

In 1938 keerde Ouborg met vrouw en dochter terug naar Nederland. Na een kort verblijf Amsterdam, kwam het gezin in Den Haag te wonen waar Ouborg opnieuw als tekenleraar de kost verdiende. Al zijn Indische ervaringen moeten in die tijd met terugwerkende kracht op hem hebben ingewerkt. Hij ontdekte dat hij niet zonder meer uit was op de beeldende functie van de lijn of de kleur. “De magie die daarin steekt, beneemt mij de adem en zoek ik bewust,” verklaarde Ouborg. De schilderijen, tekeningen en gouaches die in de loop van de jaren veertig ontstonden, hebben dan ook het onomstotelijke karakter van een teken aan de wand. In tegenstelling tot het werk van de Cobraschilders kwamen Ouborgs voorstellingen van zonnen, manen en 'sterrepikkers' niet spontaan tot stand. Zijn tekeningen stonden soms letterlijk model voor zijn lyrische, behoedzaam gecomponeerde schilderijen. Hoe diep Ouborg door de primitieve kunst uit Indië was beïnvloed, is te zien aan de vreemde insektachtige vormen die zijn voorstellingen bevolken. Ze voeren terug op de tekeningen van de dierenriem in een Bataks toverboek. De groeiende belangstelling voor zijn werk heeft Piet Ouborg niet onverdeeld gelukkig gemaakt. Ouborg, die al in 1929 hij een verzameling kindertekeningen had aangelegd, verwierf in 1950 de Jacob Maris-prijs voor zijn tekening Vader en Zoon. Een schitterend werk, opgevat in een paar lijnen, dat de genialiteit van een kindertekening had. De storm van protest die hierna losbarstte, was nog tot daar aan toe maar dat men aan zijn integriteit als kunstemaar twijfelde, was meer dan Piet Ouborg kon verwerken. Twee jaar voor zijn dood schreef hij aan een vriend: “Ik lees geen kritieken meer. Zij winden mij te veel op en deprimeren mij te zeer.(-) Ik hoop dat het is, zoals je zegt te geloven: Dat mijn werk nog zal spreken van wat ik er in heb proberen te leggen. Ik hoop dat er dan mensen zijn, die mijn bedoelingen zullen begrijpen.”

    • Betty van Garrel