Raad: meer autonomie geeft meer problemen

DEN HAAG, 5 NOV. Meer autonomie voor scholen is niet nodig en zal waarschijnlijk vooral voor meer problemen zorgen. Het belang van bestuurlijke vernieuwing in het onderwijs voor de kwaliteit wordt “sterk overtrokken”.

Dit schrijft de Onderwijsraad in een ongevraagd advies aan minister Ritzen (onderwijs) over de afspraken die de onderwijskoepels en het ministerie van onderwijs deze zomer in het 'Schevenings Beraad' om scholen een grotere bestuurlijke en financiële vrijheid te gunnen. Volgens de raad zijn die afspraken veel te abstract en staan ze “vrij ver af van de praktijk”.

De Onderwijsraad is het belangrijkste adviesorgaan van het ministerie en is in 1919 ingesteld ter bewaking van de onderwijspacificatie van 1917. Hij toetst onderwijswetten en maatregelen aan artikel 23 van de Grondwet.

Volgens de Raad is het niet waarschijnlijk dat de afspraken over vergroting van de autonomie veel zullen opleveren. Decentralisatie zal vooral voor problemen zorgen in “de kwaliteitszorg, de coördinatie en en de continuïteit”, aldus de raad, die verwijst naar de ervaringen in Engeland met een sterk gedecentraliseerd stelsel. Volgens de Raad is het “een misvatting uit te gaan van de veronderstelling dat het Nederlandse onderwijs thans op centralistische wijze is georganiseerd”. De grondwettelijke vrijheid van onderwijs “biedt de ruimte om het onderwijs voor een heel groot deel per schoolbestuur en zelfs per school op eigen wijze in te richten”.

De Raad acht het “zeer waarschijnlijk” dat door grotere autonomie scholen steeds afhankelijker zullen worden van de onderwijsbureaus van de landelijke koepelorganisaties. De Raad vermoedt dat als de scholen volgens de overheid hun bestedingsruimte 'niet doelmatig' zullen gebruiken er gewoon weer nieuwe regelgeving zal komen. Ook constateert hij dat de grotere vrijheid op het terrein van de arbeidsvoorwaarden door de gedetailleerde afspraken tussen vakbonden en besturenorganisaties eerder heeft geleid tot meer dan tot minder regelgeving.