Priemende hakken en smeulende hartstochten

Gezelschap: Het Nationale Ballet. Nieuw werk: Stop it, choreografie: Krzysztof Pastor, muziek Andrzej Panufnik, decor en kostuums: John Otto, licht: Bert Dalhuysen. gezien 4/11, AT&T Danstheater, Den Haag.

Het eerste deel van William Forsythe's vierdelige Artifact vraagt een aantal technische voorzieningen waaraan het AT&T Danstheater niet kan voldoen. Omdat het Nationale Ballet dat deel daar niet kan uitvoeren, kreeg Den Haag gisteren de première van een nieuw werk van Krzysztof Pastor. Pastor, sinds 1985 als danser aan Het Nationale Ballet verbonden, maakte in 1986 zijn eerste choreografie en heeft sindsdien met enige regelmaat korte werken gecreëerd voor de workshops van de groep en enkele buitenlandse gezelschappen. Vorig seizoen maakte hij voor Het Nationale Ballet zijn eerste grote werk Shostakovitch Chamber Symphony. Dat vertoonde zoveel positieve kwaliteiten dat hem terecht gevraagd werd opnieuw een werk voor het gezelschap te maken. Uitgangspunt voor Stop it, waarvoor Pastor muziek gebruikt van zijn Poolse landgenoot Andrzej Panufnik, werd een vorig jaar gemaakt duet voor Clint Farha en Anna Seidl, uitgevoerd tijdens een benefiet gala in Warschau. Die pas de deux is nu ingebed tussen twee andere, die weer omlijst worden door duetten van een vierde paar, dat in Stop it de centrale rol vervult. De onmogelijk blijkende relatie tussen dat paar - uitstekend vertolkt door Jeanette Vondersaar en Fred Berlips - ontrolt zich voor een grote, scheve platte tafel. De vrouw manifesteert zich als een treiterende kenau, die wellustig haar rood gehakte schoen in de maag van de man priemt, maar tegelijkertijd die man toch aan zich wil binden. Zodra er iets van een situatie ontstaat dat er van onderlinge aanhankelijkheid sprake zou kunnen zijn, laat zij zich als een etalagepop manipuleren, maar ook de man toont een dubbelzinnig gedrag. Ook hij treitert, wijst af en trekt aan. De drie andere

duetten laten verschillende facetten zien van een relatie waarin de man de verbintenis met de vrouw eigenlijk niet wil en er toch op een bepaalde manier aan toegeeft. Bij het eerste paar (Simonetta Lysy en Barry Watt) komt het conflict nog niet echt aan de oppervlakte, er zijn aanduidingen, maar men is nog in de fase van verkenning. Het tweede paar (Farha en Seidl) is weliswaar harmonieuzer, doch in korte solo fragmenten wordt de botsing van karakters duidelijk, terwijl het derde paar (Caroline Sayo Iura en Roger Jansen) in felle, snelle uitbarstingen smeulende hartstochten doet oplaaien. Tussen deze duetten in zijn er steeds verbeten en uitzichtsloze confrontaties van het echtpaar, dat tijdens de andere episodes broeierig tegenover elkaar aan de tafel zit, die dan hoog in de lucht wordt gehesen.

De bewegingstaal die Pastor hanteert heeft een aantrekkelijke mengeling van klassieke vormen en expressionistische dans, van lyriek en dramatiek en zijn aanpak verraadt in positieve zin invloeden van Van Dantzig, Van Manen en Van Schaik. Het door allen fraai en met veel overtuigingskracht gedanste werk zit goed in elkaar, is compact van opbouw, maakt uitstekend gebruik van de verschillende stemmingen en tempo-wisselingen in de muziek en heeft een verrassend en theatraal sterk slot: de man ontdoet zich van zijn kwelgeest door haar rücksichtslos in de orkestbak te smijten.