Ouddorp

Als ik in een roman iemand een volle week langs de Zeeuwse kust liet lopen, nou dan wist ik het wel.

Ik zou hem het vuur na aan de schenen leggen. Ik zou hem geselen met storm en regen. Ik zou hem onweer sturen, bliksem, hagelstenen. Ik zou het water laten stijgen tot het aan zijn lippen stond. Hij zou, terwijl de avond viel, verdwalen in een ijzig duingebied. Hij zou wakker liggen in een derderangs hotel met veel geritsel op de gang en gruwelijk gebral op straat. Hij zou slapen met een droom waarin hij aan een paal gebonden stond. Hij zou ruzie krijgen in een slagerij. En dag na dag een paarsig wondje aan zijn voet. Ik zou hem pijn doen en tot wanhoop brengen. Ik zou het lopen tot een kwelling maken. Ik zou dat wondje tot een obsessie laten uitgroeien, een paarsig plekje in zijn hoofd. En in de eerste plaats zou ik zijn tocht een bedoeling geven, een zeker iets waardoor hij slagen en mislukken kon. Ik zou voor drama zorgen, want ja, roman, dan hoef je met minder dan het beste geen genoegen te nemen.

Vandaag van Haamstede naar Ouddorp, over de Brouwersdam van Schouwen naar Goeree. De zon geeft lange schaduwen. De hemel blauw, het water blauw en uitgestrekte velden riet, het flamboyante geel van stengels, en de pluimen zijn zo grijs als mollevel.

Al ver voor Ouddorp waait een geur van warme speculaas.

    • Koos van Zomeren