Niemand heeft recht op medelijden; Susan Sontag over haar roman, de achttiende eeuw en Sarajevo

De roman The Volcano Lover, die nu in een Nederlandse vertaling verschijnt, betekent een wedergeboorte voor de Amerikaanse schrijfster Susan Sontag. “Ik ben een andere schrijver geworden”, vindt Sontag die een paar maanden geleden het toneelstuk Wachten op Godot in Sarajevo regisseerde. “Mijn aanwezigheid had geen politieke, maar uitsluitend ethische bedoelingen”, zegt ze daarover. “Het was geen gebaar om druk uit te oefenen op de publieke opinie.”

Ze is 's ochtends vroeg uit New York gekomen. Even een slaapje. Dan het begin van een druk programma waarin vraaggesprek aansluit op televisie-optreden en televisie-optreden op voorlees-avond-met-debat. De volgende ochtend reist ze verder naar Parijs.

Want Susan Sontag (60) is een éénvrouws literair circus, waarbij directie en trapezewerk in handen van hetzelfde energieke personage zijn. De witte lok boven het voorhoofd is een stuk groter dan hij vier jaar geleden was toen ze de Huizinga-lezing hield en uitlegde dat het rekenen in decennia (een 'jaren vijftig type', de 'geest van de jaren tachtig') oppervlakkigheid en depolitisering in de hand werkt. De haren die zwart waren toen ze geruchtmakende essays schreef zoals Notes on Camp (1964) en On Photography (1977) zijn nu zwart geverfd. Maar de stelligheid waarmee ze haar overtuigingen uitdraagt en de dwingende manier waarop ze haar gesprekspartners bejegent is dezelfde gebleven. Wie gelijk heeft, heeft dat absolutely en wie haar opvattingen niet deelt absolutely not.

Ze is even in Amsterdam omdat de Nederlandse vertaling van haar roman The Volcano Lover (De Vulkaan Minnaar) wordt gepresenteerd. “Hoe is het ontvangen?” is het eerste wat ze wil weten. Deze krant noemde het 'een meesterwerk'.

“Heel goed. Want dat is het ook. Het is niet alleen het beste boek dat ik ooit heb geschreven, maar ook een wedergeboorte voor mij als schrijfster.” Dan zinkt ze achterover in haar hotelsofa. Ze draagt pantoffels en een fluwelen broek. Op tafel een clubsandwich, die nauwelijks wordt aangeraakt, en een dubbele espresso. Het gesprek begint vermoeid maar zal anderhalf uur later eindigen naast een taxi die met open deuren, nerveuze inzittenden en een tikkende meter staat te wachten, omdat er nog een verhaal moet worden afverteld. Absolutely.

Waarom 'een wedergeboorte'?

“Omdat ik een andere schrijver ben geworden. De schrijver die ik eigenlijk altijd heb willen zijn. Ik heb zo'n dertig jaar geleden, aan het begin van mijn carrière, twee romans geschreven. Ik schaam me niet voor die boeken, ik kon ze niet anders schrijven dan ik gedaan heb. Maar ik wist dat er iets aan ontbrak. Al mijn werk van vóór The Volcano Lover ging niet over de dingen waar ik zelf mij het grootste deel van de tijd mee bezig houdt. Het had weinig te maken met wat ik meestal denk en voel.”

Dat geldt ook voor de essays?

“Dat geldt vooral voor de essays. Ik heb eigenlijk nooit plezier beleefd aan het schrijven van die stukken. Behalve als het makkelijk ging - en dat was zelden. De Illness-boeken (Ilness as a metaphor en Aids as a metaphor, resp. '78 en '89) waren relatief makkelijk, omdat ik daarin een persoonlijke kruistocht voerde. Ik was betrokken. Ik wist dat ik mensen zou helpen door hen sterker en helderder te maken. Ik wist dat ik levens zou redden - en dat is ook gebeurd. Honderden, duizenden mensen hebben me laten weten dat ze door het lezen van Illness as a metaphor van dokter zijn veranderd, of voor het eerst naar een dokter zijn gegaan. Maar de rest van mijn essays heb ik altijd als een opgave gezien, als een onaangename verplichting.”

Voor wie schreef u ze dan?

“Ik schreef ze omdat er nu eenmaal zoiets is als een cultureel debat. Om iets te schrijven wat wáár is en omdat het belangrijk is wat mensen vinden. Vindt u alles leuk wat u doet? Nou dan! Maar het is voorbij. Ik zal nooit meer essays schrijven. Misschien een enkel stukje over politiek, maar schrijven over politiek is dan ook altijd makkelijk. En als u blijft aandringen wil ik best toegeven dat ik soms na afloop wel eens op een bepaalde manier voldoening heb gevoeld over zo'n stuk, over de taak die ik had volbracht.”

Men hoeft dus ook weer geen medelijden met u te hebben.

“Niemand in de hele wereld heeft ooit recht op medelijden. En schrijvers wel het allerminst. Medelijden is een corrumperend gevoel, je wordt er minder weerbaar van. Franz Kafka heeft ongetwijfeld onder zijn schrijverschap geleden, maar hij heeft het toch volbracht. Hij was een held. Hij verdient bewondering, geen medelijden. Niemand vraagt ons om kunstenaar te worden. Wie kiest voor het kunstenaarschap weet heel goed wat hij doet. Veel mensen zeggen als ze jong zijn dat ze schrijver willen worden, maar alleen degenen die bezeten zijn en er alles voor opzij willen zetten worden het ook. Ik ben zo iemand. Ik ben schrijver, al dertig jaar. Het is mijn roeping. Als ik zeg dat ik me opnieuw geboren voel, dan betekent dat vooral dat ik door het schrijven van dit boek een veel betere schrijver geworden ben.”

Hoe ging dat in zijn werk?

“In 1980 kocht ik in een winkel in Londen twaalf achtiende-eeuwse prenten. Gezichten op de baai van Napels en de uitbarstende Vesuvius. Ik wist niet precies waarom, al speelde er al snel een idee voor een verhaal door mijn hoofd. Iets over een man die van vulkanen hield, die titel was er meteen. Maar het was een primitief idee. Later ontdekte ik wie de man was die opdracht had gegeven voor het maken van de afbeeldingen: William Hamilton, Engels diplomaat en kunstverzamelaar. Hij is een van de weinige historische figuren die zijn faam vooral dankt aan zijn vrouw: Emma Hart, die veel jonger was en een stormachtige verhouding kreeg met admiraal Nelson, de held van Trafalgar. Toen ik eenmaal wist wie mijn beoogde hoofdpersoon werkelijk was geweest, ontsloot zich een hele wereld en tegelijkertijd ontstond de onweerstaanbare behoefte om daarover te vertellen. Dat was me nog niet eerder overkomen. Tot dan toe kwam het schrijven van fictie er voor mij in wezen op neer dat ik noteerde wat er in iemands hoofd gebeurde. Een moderne aanpak, maar een heel beperkte. Toen ik in september 1989 aan The Volcano Lover begon wist ik dat het dit keer heel anders zou zijn. Ik wilde een liefdesgeschiedenis vertellen. Het moest een drama, een opera worden. Ik maakte een gedetailleerd schema - dat had ik nooit eerder gedaan. Het werk was vanaf de eerste dag een grote vreugde.”

Het toeval wil dat de bestverkochte Nederlandse roman op dit moment zich ook afspeelt in het Napels van de achttiende eeuw. Om de kloof tussen toen en nu te overbruggen bedient de schrijfster zich onder andere van lyrische, af en toe zelfs barokke taal. Uw stijl blijft vrij zakelijk, u voegt stukjes essay in, aforismen...

“Wat een nonsens! Mijn boek is juist heel lyrisch. Het is helder, uiteraard. Maar lyrisch.”

U probeert ook niet de indruk te wekken dat de lezer zich helemaal in de achttiende eeuw bevindt. Pompeji en Herculaneum worden vergeleken met Hiroshima en Nagasaki...

“Ik heb dan ook ook geen historische roman willen schrijven. De stem van de verteller is de stem van iemand die leeft aan het einde van de twintigste eeuw. Dit is een modern boek, waarvan alleen het verhaal toevallig in het verleden speelt.”

Zou het kitsch zijn om iets anders te suggereren?

“Geen enkel genre is kitsch. Echte historische romans, waarin de lezer het gevoel krijgt dat hij helemaal ter plekke is, hebben alle recht van bestaan. Marguerite Yourcenar's Herinneringen van Hadrianus zit zo in elkaar en het is een meesterwerk. De gebeurtenissen in Oorlog en Vrede zijn van voor Tolstoj's geboorte. Maar dit boek is anders en het is zoals het is. Mijn nieuwe roman speelt zich af in Californië, honderd jaar geleden. Ik ben op een derde en tot nu toe bevat het nog geen verwijzingen naar het heden. Het is best mogelijk dat dat ook zo verder gaat.”

Is het makkelijker om over historische gebeurtenissen te schrijven dan over het heden?

“Ja. Ik heb gemerkt dat je veel vrijer bent. Veel schrijvers, onder wie ik, voelen een weerstand, een gêne - die misschien voortkomt uit wanhoop - om over, bijvoorbeeld, een liefdesgeschiedenis te schrijven zonder daar allerlei buitengewoon originele denkbeelden over de liefde aan vast te knopen. We zijn zo overbewust, zo voorzichtig, zo wantrouwend geworden. Misschien dat de serieuze literatuur van de laatste decennia zich daarom almaar meer naar binnen heeft gericht. De lezer kent het decor, de mentale omgeving. Schrijvers als Samuel Beckett en Thomas Bernhard, die ik beiden zeer bewonder, houden zich alleen nog maar bezig met de reactie daarop. Met het bewustzijn van hun hoofdpersonen. Zodra je een verhaal in het verleden plaatst ontstaat echter onmiddellijk de verplichting een hele nieuwe buitenwereld te scheppen. Je moet wel. Want niet alleen begrijpt de lezer anders de personages niet meer, zelf weet je ook pas hoe hun wereld eruit ziet als je hem onderzocht en beschreven hebt. In het verleden heb ik de ruimte en de impuls gevonden om een verhaal te vertellen. Minimalisme kan de schrijver zich er eenvoudig niet permiteren.”

De roman eindigt met vier monologen, waarin vier vrouwelijke personages na hun dood een oordeel uitspreken over wat ze hebben meegemaakt en over de mannelijke hoofdpersonen. Dat oordeel is vernietigend. Daarmee komt al het voorgaande ineens in een ander daglicht te staan. Het hele boek krijgt een politieke strekking.

“Het is ook een politiek en een feministisch boek. Het heeft een morele strekking. Al is dat niet de hoofdzaak, want ik schrijf geen roman om mijn lezers ergens van te overtuigen. Ik wil hen alleen maar een onvergetelijke sensatie bezorgen. Je hoeft de theologische opvattingen van Dante en de politieke bedoelingen van Multatuli ook niet te delen om geraakt te worden door de passie in hun werk. Ik wist van begin af aan dat ik met die vier monologen zou eindigen. En ik wist voor ik begon dat de laatste woorden van het boek een veroordeling van de hoofdpersonen zouden zijn: 'Ze waren verachtelijk. Damn them all.' De lezer moet tenslotte sympathiseren met iemand die hen afwijst.”

Om ruim twee jaar en driehonderdzeventig bladzijden met hen bezig te zijn moet de schrijver toch ook van hen hebben gehouden.

“Dat doe ik ook. Als individu zijn ze me allemaal lief. Ze zijn per slot van rekening stukjes van mijzelf. Op één uitzondering na: baron Scarpia. Hij is de verpersoonlijking van het absolute kwaad en hem heb ik dan ook uit de opera Tosca van Puccini geleend. De andere figuren volg ik in het grootste deel van het boek op de voet, ik blijf bij hen en kijk door hun ogen mee. Dan kun je inderdaad niet anders dan sympathie voor hen hebben. Aan het eind wordt het perspectief plotseling breder. Net zoals aan het eind van een ouderwetse Hollywood-film vaak gebeurt: opeens zie je het hele landschap en zijn de hoofdrolspelers er nog maar een klein onderdeel van. In dat brede historische perspectief gezien waren Hamilton en zijn adellijke vrienden inderdaad wrede, egoïstische mensen. Ze stonden aan de verkeerde kant. Maar alles wat daarvoor gezegd is over hun menselijkheid, hun innerlijke strijd, hun fatsoen blijft evengoed waar. Dat maakt het vellen van een moreel oordeel nu juist zo moeilijk: geschiedenis is niet slechts algemeen, maar ook particulier. Je moet generaliseren, maar van dichtbij ziet alles er heel anders uit.”

Heeft u weleens een vulkaanuitbarsting van dichtbij gezien?

“Nee, alleen op plaatjes. Het vreemde is, dat ik tijdens de voorbereidingen van het boek twee keer de gelegenheid had om er een bij te wonen. Ik was in Napels onderzoek aan het doen toen de Etna, op Sicilië, tot leven kwam. Daarna logeerde ik bij mijn zuster op Hawaii toen er op een naburig eiland een vulkaan begon te spuwen. Beide keren had ik zonder veel moeite een kijkje kunnen gaan nemen. Maar ik deed het niet, op de een of andere manier leek het me niet nodig. Voor films en boeken over vulkanen doe ik die moeite weer wel. Ik denk dat het beeld me gewoon meer interesseert dan de werkelijkheid. Vuurwerk vind ik ook prachtig.”

U bent wel naar Sarajevo geweest om de burgeroorlog bij te wonen.

“Ik ben niet als schrijver naar Sarajevo gegaan, maar als mens. Ik wilde me daar nuttig maken - en romans schrijven doe je niet om nuttig te zijn. Gelukkig kan ik nog een paar andere dingen. Ik heb er een uitvoering van Wachten op Godot geregisseerd.”

Die uitvoering heeft wereldwijd de aandacht getrokken. In een recent artikel in de New York Review of Books toont u zich verbaasd daarover. Dat lijkt wat onwaarschijnlijk voor iemand die zoveel over de rol van de media heeft geschreven.

“Noem me dan maar naïef. Ik had me werkelijk niet gerealiseerd dat ik onvermijdelijk midden tussen de buitenlandse correspondenten terecht zou komen en dat ze onmiddellijk zouden gaan berichten over wat ik daar deed. Mijn aanwezigheid had geen politieke, maar uitsluitend ethische bedoelingen. Het was geen gebaar om druk uit te oefenen op de publieke opinie. Dat lukt toch niet, daarover koester ik geen enkele illusie. De Verenigde Naties, de Navo en West-Europa staan nu eenmaal aan de kant van de Serviërs en hebben allang besloten dat de stad maar moet sterven. Ik wilde alleen de mensen in Sarajevo laten merken dat ze toch niet helemaal door de rest van de wereld in de steek zijn gelaten. Een van de manieren waarop dat kan is door ze kunst, theater te geven. De bevolking van Sarajevo is namelijk niet alleen depressief, somber, doodsbang, hongerig, koud, vernederd, wanhopig en woedend, maar ook bezig om zich verschrikkelijk te vervelen.

“Het is een stad met nog altijd vierhonderdduizend inwoners en dat betekent dat zo'n veertigduizend mensen de cultuur ontberen die voor hen net zo goed een eerste levensbehoefte als water en voedsel was. Er is geen stroom, dus ook geen radio, televisie of film. Veel van mijn vrienden zijn de vorige winter begonnen om hun boeken op te stoken. Eerst de minder belangrijke auteurs natuurlijk. Maar dit jaar komen ook Dostojewski en Kafka aan de beurt.”

Uw regie-aanpak van het toneelstuk was niet in de eerste plaats gericht op het beste artistieke resultaat. U liet een aantal rollen driedubbel bezetten, zodat meer werkloze toneelspelers konden meedoen. Vrouwen speelden mannen, iets dat Beckett uitdrukkelijk heeft verboden. En 'Wachten op Godot' werd door bijna iedereen ondubbelzinning als 'Wachten op de interventie van Clinton' geïnterpreteerd. Moet de kunst in dergelijke omstandigheden toch maar afstand doen van haar autonomie?

“Ik vond van wel. In Amsterdam had ik bij de enscenering inderdaad nooit rekening gehouden met het lot van werkloze actrices. Tot vlak voor de première had ook ik eerlijk gezegd weinig hoop op een goede voorstelling. Toch is het project uiteindelijk ook als theaterprestatie een succes geworden. En mijn Godot is aangeslagen bij het publiek. Toen het in september in première ging werden er nog maar twee andere stukken in de stad gespeeld. Twee weken geleden was ik er weer en toen liepen er zeven. Ik ben nu ook officieel gastdocent aan de theateracademie. We hebben net de toelatingsexamens achter de rug. Er hebben zich twintig nieuwe leerlingen gemeld, jongens en meisjes van zeventien en achttien die acteur willen worden. In januari ga ik weer en dan in april, om De Kersentuin te regisseren.”

In Antwerpen en Parijs is het initiatief genomen om Sarajevo in december tot Culturele Hoofdstad van Europa uit te roepen. Heeft dat zin?

“Ik steun het idee, maar er zal niets van komen. De VN en de Europese Gemeenschap willen niet dat er teveel aandacht op Sarajevo wordt gevestigd. En zelfs al zou het plan worden aanvaard, dan zullen er toch mensen naar de stad moeten gaan om er inhoud aan te geven. De blauwhelmen zullen dat verhinderen. Vorige week is een groep acteurs - onder wie Vanessa Redgrave, Daniel Day-Lewis en Jeremy Irons - niet toegelaten, hoewel ze alle vereiste papieren hadden. Voor individuen is het wel mogelijk om binnen te komen, als ze geduldig en vasthoudend zijn. Ik moedig dat ook aan. Kunstenaars, intellectuelen, artsen kunnen er wel degelijk iets doen. Iets praktisch. Symboliek is overbodig.”

Als u er dood zou gaan zou dat toch wel enige betekenis hebben. Houdt u daar rekening mee?

“Ik ben me er voortdurend van bewust. Ik heb kogels over mijn hoofd horen fluiten, sluipschutters vlakbij zien staan. Af en toe landt er een granaat in het hotel. En het gaat niet alleen om mij. Mijn zoon is er op dit moment, om een film te maken. Ik neem het risico. Er zijn te weinig redenen om niet te gaan.”

U zei eerder in dit gesprek dat een schrijver alles opzij moet zetten voor zijn werk.

“En dit komt mijn werk niet ten goede. Dat is waar. Sarajevo schaadt de nieuwe roman. Er wordt van twee kanten aan me getrokken. Door het boek en door mijn solidariteit met die mensen. Kennelijk zijn er morele plichten die belangrijker zijn dan schrijven. Ik hoop dat ik me vandaag niet te vaak tegenspreek.”

    • H.M. van den Brink