'Jericho wordt opnieuw geboren'

Jericho en de Gaza-strook worden autonoom Palestijns gebied. De economische vooruitzichten zijn onzeker. In Jericho heerst optimisme. En Gaza zou het Hongkong van het Midden-Oosten kunnen worden. Maar daarvoor zijn hoge tolmuren nodig. Daar is Israel tegen.

Suha Arafat, de jonge echtgenote van PLO-leider Yasser Arafat, heeft 20.000 inwoners van Jericho verrast met de blijde boodschap dat haar kinderen in deze groene oase zullen worden gebaard. Met de economische ontplooiing van Jericho, na het terugtrekken van de Israelische troepen op 13 december, heeft die belofte ogenschijnlijk niet veel te maken. Voor de Palestijnse bevolking is het echter een injectie van hoop.

“Jericho wordt opnieuw geboren”, zegt Rajai Abdo. In zijn witte galabya, en een gepaste witte doek om zijn hoofd geknoopt, zit hij in de hal van het Hisham Palace hotel (zestig kamers) in de Ein Asultan-straat waar de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie haar hoofdkwartier zal vestigen.

Met Spaans geld wordt het enige hotel in de stad opgeknapt om het Palestijnse bestuur van het autonome gebied in Jericho een zo waardig mogelijk onderkomen te bieden. Raja Abdo, die zegt een imam (geestelijke leider) te zijn, popelt van verlangen om burgermeester van Jericho te worden. Hij heeft in de Verenigde Staten een opleiding in de politieke wetenschap genoten. Maar hij gelooft met evenveel overtuiging in Allah als in zijn opdracht Jericho tot een welvarende stad te maken, tot de 'oogappel van Palestina'.

Hij spreekt over het aantrekken van massatoerisme uit de Arabische wereld en uit het Westen natuurlijk. Daarvoor moeten ten minste vijf super-moderne hotels worden gebouwd. En er is nog meer nodig: vernieuwing en aanleg van riolering, modernisering van de landbouw, lichte industrie voor de verwerking van de landbouwprodukten, bouwprojecten, etcetera. Rajai Abdo's ogen glinsteren bij de verbale projectie van de beelden van zijn vredeshoop in deze hete woestijn waar Jericho er wel groen, maar toch nog erg arm bij ligt. Zijn optimisme weerspiegelt zich in het straatbeeld. Sedert Yitzhak Rabin en Yasser Arafat elkaar op 13 september in Washington de hand schudden, is de sfeer in het kleine centrum van Jericho veranderd.

Apathie heeft plaats gemaakt voor bedrijvigheid. Winkels worden vernieuwd, er wordt getimmerd, gemetseld en gepoetst. De intifada, die met zijn verplichte winkelstakingen de middenstand zwaar trof, is voorbij in Jericho. De winkeliers zitten niet meer uren roerloos voor hun zaak. Ze zijn in de weer, ze lachen zelfs weer. Israelische produkten zijn als bij toverslag na een boycot van bijna zes jaar weer op de planken gekomen.

“Ten tijde van de intifada was dat spelen met vuur en met je leven”, zegt een van de winkeliers. Palestijnse restauranthouders klagen ook al niet meer steen en been. De Israeliërs komen weer lunchen in de grote tuinrestaurants, onder het groene loof. Moderne bussen brengen opnieuw grote groepen toeristen naar Jericho. De prijzen van land zijn verviervoudigd en dat geldt ook voor villa's.

Economen weten maar al te goed dat geloof in de toekomst een moeilijk te meten maar belangrijke factor is in het economische proces. Het is zoiets als de moreel van een leger. Zonder dat 'geheime wapen' kan zelfs de best uitgeruste strijdmacht op het slagveld ten onder gaan. De Palestijnen in Jericho, maar ook in Gaza hebben zich, met de overgang van bezetting in bestuursautonomie in het vooruitzicht, met dit psychologische wapen uitgerust. Hun zelfvertrouwen is groter dan de zekerheid dat de internationale gemeenschap haar beloften waar zal maken en de Palestijnse weg naar onafhankelijkheid met miljarden guldens zal plaveien.

Pag.14: Vrede op economische grondslag

Tawfiq S. Nuweiser, algemeen secretaris van de Kamer van Koophandel in Jericho, weet van Palestijnse plannen om ten zuiden en noorden van Jericho, binnen het autonomie-gebied, twee Palestijnse steden te bouwen voor zo'n dikke tweehonderdduizend Palestijnen uit de Palestijnse diaspora in de Arabische wereld. Het gaat onder anderen om Palestijnse vluchtelingen van 1967 die het recht op terugkeer verwerven. Volgens Tawfiq Nuweiser heeft Yasser Arafat tijdens zijn jongste bezoek aan Peking de Chinezen gevraagd hoe zij het klaar spelen in zes maanden steden te bouwen. Volgens Chinees model en methodes willen de Palestijnen dat misschien ook proberen. Waar het geld vandaan moet komen is minder duidelijk. “De internationale gemeenschap, Europa, Japan misschien...”, zegt Nuweiser op vragende toon. Met financiële steun van de Europese Gemeenschap wordt binnenkort in Jericho in ieder geval wel een begin gemaakt met de bouw van 32 appartementen voor Palestijnse families wier huizen door de Israeliërs zijn opgeblazen en voor Palestijnse strijders.

Volgens Nuweiser staat het vast dat vier Arabische banken - de Jordan-bank, Al-Arabi bank, Al-Iskan (gespecialiseerd in leningen voor huizenbouw) en de Al-Islami bank - op niet al te lange termijn kantoren in Jericho zullen openen. Deze banken zullen de economische ontplooiing - Jericho telt slechts vijf kleine bedrijven - en vooral de modernisering van de landbouw moeten financieren. De Palestijnen hebben de mankracht en kennis om deze uitdaging aan te kunnen. “Wie heeft Koeweit gebouwd, wie Dubai, Saoedie-Arabië? Wij, de Palestijnen”, is het antwoord. Dat geldt al lang en in grote mate ook voor Israel zelf waar veel Palestijnen als bouwvakkers werken.

De economische ontwikkeling van Jericho hangt in hoge mate af van de economische betrekkingen die de daar op te zetten Palestijnse bestuursautonomie met Israel en Jordanie zal hebben. Open grenzen of protectionisme, een douane-unie, welke geldeenheid - het zijn allemaal vragen waarop het antwoord nog gegeven moet worden. Aangenomen mag worden dat de toekomstige Jericho-autonomie model zal staan voor de hele westelijke Jordaan-oever en in veel mindere mate voor de Gaza-strook. Uiteindelijk zullen de economieën van de onder Palestijns bestuur komende westelijke Jordaan-oever en Gaza-strook in elkaar moeten vloeien.

De laatste tijd zijn studies verschenen, onder andere van het John F. Kennedy instituut van Harvard over het “veiligstellen van de vrede in het Midden-Oosten ten tijde van de economische overgang”, waaraan behalve Amerikaanse ook Israelische en Palestijnse economen lang hebben gewerkt. Evenals de visionaire Israelische minister van buitenlandse zaken Shimon Peres ziet dit Amerikaanse instituut mogelijkheden tot verregaande economische integratie tussen Palestijnse autonomie, Israel en Jordanië. Per slot van rekening waren deze gebieden een economische eenheid ten tijde van de Turkse overheersing van het Midden-Oosten en daarna tijdens het Britse mandaat over Palestina.

Israel heeft zich sedert 1948 ten opzichte van Jordanië en de Palestijnse bestuursgebieden tot een economische reus ontwikkeld met een bruto nationaal produkt dat vijftien keer groter is dan dat van Jordanië en 27 maal groter dan dat van de Gaza-strook en westelijke Jordaan-oever samen. Om politieke redenen heeft Jordanië tot 1967 de economische ontwikkeling van de westelijke Jordaan-oever geremd, een politiek die door Israel na de Zesdaagse oorlog in 1967 is voortgezet toen de veroverde westelijke Jordaan-oever en Gaza-strook een schier onuitputtelijke bron van goedkope Palestijnse arbeid bleken te zijn. De lage lonen die de Israelische werkgevers aan de Palestijnen betaalden waren echter “goud” vergeleken bij wat ze voor 1967 konden verdienen, onder Jordaans en Egyptisch bestuur. De levenstandaard steeg ook in enorme vluchtelingenkampen opvallend snel, maar in de koloniale verhouding tussen Israel en de bezette gebieden werd de economische ontplooiing in de Palestijnse woongebieden door de bezetter met administratieve maatregelen gesaboteerd.

De grote economische verschillen die sedert 1948 tussen Israel, Jordanië, de westelijke Jordaan-oever en de Gaza-strook zijn ontstaan stellen de planners van de vrede op economische grondslagen voor levensgrote problemen. Palestijnse ondernemers hebben bij een systeem van open grenzen, op landbouw en enkele andere arbeidsintensieve bedrijfstakken na, geen schijn van kans in de concurrrentie met Israel. Palestijnse economen pleiten dan ook voor douane-tarieven en andere beschermende maatregelen om de economische ontwikkeling van de autonome Palestijnse gebieden een kans te geven. Is de Israelische economie ook niet achter hoge tolmuren begonnen?

Dit Palestijnse verlangen druist in tegen de Israelische economische visie op de vrede met de Palestijnen. Om politieke redenen streeft Jeruzalem naar zoveel mogelijk “economische openheid” (integratie). Het debat welke economische mogelijkheden de Palestijnse bestuursautonomie zal krijgen is nog onbeslist. Palestijnse economen hebben herhaaldelijk in het openbaar gezegd dat ze hun economische structuur zoveel mogelijk op politieke onafhankelijkheid willen afstemmen.

Meir Alder, een bekende Israelische econoom, steunt zeker wat de Gaza-strook betreft deze Palestijnse ambitie. Volgens hem heeft Gaza de potentie het 'Hongkong' van het Midden-Oosten te worden als de Palestijnse arbeid in de Gaza-streek wordt ingezet en niet massaal naar Israel wordt geëxporteerd. Hij trekt een parallel tussen de situatie in Hongkong in de vijftiger jaren, toen deze Britse kroonkolonie door honderdduizenden Chinese vluchtelingen werd overstroomd, en de Gaza-strook, waar de vluchtelingen 66 procent van de bevolking uitmaken. Met een betrekkelijke lange kustlijn en schitterende stranden langs de Middellandse Zee heeft Gaza ideale kaarten in handen om een bloeiende toeristen-industrie te scheppen, alsook voor de aanleg van havens, internationale handel en visserij. Het opzetten van een vrijhandelszone in Gaza is volgens Meir Adler een voorwaarde om Gaza in het voetspoor van Hongkong te zetten.

In de strook van Gaza is een reservoir van bekwame bouwvakkers, loodgieters, timmermannen en stratenmakers die met internationale financiële steun (niet alleen in de vorm van giften, maar ook als leningen en directe investeringen) de infrastructuur van Gaza kunnen bouwen. De menselijke potentie is er, dank zij UNWRA die voor goede scholing van de Palestijnen heeft gezorgd. De economische groei van de autonomie op de westelijke Jordaan-oever zal wegens de geheel andere geografische en urbane omstandigheden een minder spectaculair verloop hebben. Gaza biedt in zijn triestheid de grootste hoop, als de politieke omstandigheden dat tenminste toelaten en nu de juiste economische beslissingen worden genomen.

In deze streek langs de Middellandse zee, 45 kilometer lang en acht kilometer breed, wonen dicht op elkaar gepakt 700.000 Palestijnen. In de stad Gaza moeten 10.000 inwoners het met slechts een vierkante kilometer doen, terwijl het in het iets zuidelijker gelegen vluchtelingenkamp Jabalya het wereldrecord woondichtheid is gebroken. Met een bevolkingsgroei van 3,8 procent per jaar zal de Gaza-strook begin volgende eeuw een miljoen inwoners tellen. Van de 1710 kleine ondernemingen in dit gebied zijn er slechts 21 die meer dan 21 werknemers in dienst hebben. De werkgelegenheid in de zwaar onderontwikkelde Gaza-strook is zeer beperkt - 46 procent van de ruim 110.000 arbeiders werkt in Israel.

Afhankelijk van de politieke omstandigheden - bijvoorbeeld als Israel om veiligheidsredenen de Gaza-strook afsluit - kan de werkloosheid er in een oogwenk tot meer dan 40 procent oplopen. Wegens water- en grond-problemen (de beste gronden bevinden zich in het joodse nederzettingen-gebied Katif in het zuidelijke deel van Gaza) is de landbouw er ook niet zo'n florerende zaak. Slechts 19 procent van het BNP in dit gebied komt voor rekening van de landbouw terwijl de dienstverlenende sector goed is voor 46 procent van het BNP. Dat zijn cijfers die doorgaans op een vrij hoge graad van economische ontwikkeling duiden. Voor Gaza wijst het op het tegendeel, omdat er geen relatie is tussen de dienstverlenende sector en de industriële ontwikkelingsgraad.

    • Salomon Bouman